ECLI:NL:GHAMS:2009:BL0397

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
15 december 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200.040.428-01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H.L.L. Neervoort – Briët
  • R.G. Kemmers
  • R.P. IJland – van Veen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen terugplaatsing van pleegkind bij moeder wegens hechtingsrisico's

De zaak betreft een hoger beroep van een moeder tegen een beschikking die het verzoek tot terugplaatsing van haar pleegkind bij haar afwijst. Het kind verblijft sinds 2004 bij pleegouders vanwege een ondertoezichtstelling. De moeder oefent het gezag uit en streeft terugplaatsing na, gesteund door adviezen van hulpverleningsinstanties.

De pleegouders en betrokken instanties benadrukken de sterke hechting van het kind aan het pleeggezin en de mogelijke traumatische gevolgen van terugplaatsing. Uit rapportages blijkt dat het kind de pleegouders als ouders ervaart en geen hechte relatie met de moeder heeft opgebouwd.

Het hof weegt het belang van het kind en concludeert dat continuering van de huidige situatie het minste risico voor het kind inhoudt. De terugplaatsing zou het basisvertrouwen van het kind schaden. Daarom wordt het verzoek van de moeder afgewezen en de eerdere beschikking bekrachtigd.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de beschikking en beslist dat het pleegkind bij de pleegouders blijft wonen vanwege het belang van het kind.

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM
MEERVOUDIGE FAMILIEKAMER
BESCHIKKING van 15 december 2009 in de zaak met landelijk zaaknummer 200.040.428/01 van:
[…],
wonende te […],
APPELLANTE,
advocaat: mr. J.J.M. Kleiweg te Amsterdam,
t e g e n
1. […],
en,
2. […],
beiden wonende te […],
GEÏNTIMEERDEN,
advocaat: mr. M.J.M. ten Voorde te Utrecht.
1. Het geding in hoger beroep
1.1. Appellante en geïntimeerden worden hierna respectievelijk de moeder en de pleegouders genoemd.
1.2. De moeder is op 17 augustus 2009 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 24 juni 2009 van de rechtbank te Amsterdam, met kenmerk 08.3640 / 414664.
1.3. De pleegouders hebben op 5 oktober 2009 een verweerschrift ingediend.
1.4. De zaak is op 2 november 2009 ter terechtzitting behandeld.
1.5. Ter terechtzitting zijn verschenen:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- de pleegouders, bijgestaan door hun advocaat;
- mevrouw S.C. Benjamin, vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming, regio Amsterdam en Gooi & Vechtstreek, locatie Amsterdam (hierna: de Raad);
- mevrouw mr.W. van Oppenraaij en A. Wendel namens het Leger des Heils Jeugdzorg en Reclassering (hierna: het LJ&R);
- mevrouw F. Douwes en Q. Smit namens Spirit.
2. De feiten
2.1. Uit de moeder zijn geboren […] (hierna: [minderjarige A]) [in] 2004 en […] [in] 2006 (hierna gezamenlijk: de kinderen). De moeder oefent het gezag uit over de kinderen. [minderjarige A] verblijft bij de pleegouders en [minderjarige B] verblijft bij de moeder.
2.2. Bij beschikking van de kinderrechter te Amsterdam van 23 april 2004 is [minderjarige A] onder toezicht gesteld, uitgevoerd door LJ&R namens Bureau Jeugdzorg Agglomeratie Amsterdam. De ondertoezichtstelling is nadien verlengd tot 10 maart 2010.
2.3. In het kader van de ondertoezichtstelling is [minderjarige A] met ingang van de datum ondertoezichtstelling uit huis geplaatst. De laatst gegeven machtiging tot uithuisplaatsing voor verblijf bij een pleegouder is geldig tot 10 maart 2009.
2.4. [minderjarige A] verblijft sinds 29 oktober 2004 in het gezin van de pleegouders, nadat zij gedurende acht maanden in een crisisopvang heeft verbleven.
2.5. Bij brief van 20 maart 2008 heeft LJ&R de beslissing genomen de mogelijkheden van terugplaatsing van [minderjarige A] bij de moeder te onderzoeken.
2.6. Spirit heeft bij brief van 18 september 2008 geadviseerd om [minderjarige A] bij haar moeder (terug) te plaatsen. Het LJ&R heeft dit advies overgenomen.
2.7. De pleegouders hebben bij brief van 1 oktober 2008 het LJ&R verzocht af te zien van een terugplaatsing van [minderjarige A] bij de moeder. Het LJ&R heeft hierop niet gereageerd.
2.8. Het LJ&R heeft bij brief van 2 januari 2009 besloten de plaatsing van [minderjarige A] bij de pleegouders te beëindigen en haar bij de moeder te plaatsen in een tijdsbestek van zes maanden.
2.9. Bij de stukken bevindt zich:
- het pleegzorgcontract van 2004;
- het plan van aanpak ondertoezichtstelling van 13 november 2007;
- de evaluatierapporten ondertoezichtstelling van 18 januari, 11 maart en 25 november 2008;
- het indicatiebesluit van 1 augustus 2008;
- het advies van dr. A.M. Weterings van 25 januari 2009;
- de raadsrapporten van 10 maart en 8 juni 2009.
2.10. De pleegouders zijn inmiddels gescheiden. Er is thans sprake van co-ouderschap.
2.11. Er vindt omgang plaats tussen de moeder en [minderjarige A]. [minderjarige A] gaat twee middagen per maand naar de moeder en zij logeert het laatste weekend van de maand een nacht bij de moeder.
2.12. Bij tussenbeschikking van 2 februari 2009 heeft de rechtbank te Amsterdam besloten het terugkeertraject van het LJ&R van [minderjarige A] naar haar moeder hangende een Raadsonderzoek te schorsen.
3. Het geschil in hoger beroep
3.1. Bij de bestreden beschikking is het verzoek van de pleegouders de (fictieve) weigering van LJ&R om het besluit tot wijziging van de verblijfplaats van [minderjarige A] te vernietigen, toegewezen.
3.2. De moeder verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en alsnog het inleidend verzoek van de pleegouders af te wijzen.
3.3. De pleegouders verzoeken de bestreden beschikking te bekrachtigen.
4. Beoordeling van het hoger beroep
4.1. Ter beoordeling van het hof ligt de vraag voor of [minderjarige A] het best verder kan opgroeien bij haar moeder of bij haar pleegouders.
4.2. De moeder vindt het niet in het belang van [minderjarige A] dat zij bij haar pleegouders blijft wonen. Het was vanaf het begin van de uithuisplaatsing de bedoeling dat [minderjarige A] uiteindelijk weer bij haar terug zou worden geplaatst en de pleegouders dienden daarom de moeder de ruimte te bieden om weer een band met haar op te bouwen. Zij hebben dit nagelaten, waardoor de terugplaatsing steeds is uitgesteld. De moeder heeft voorts het idee dat [minderjarige A] last heeft van een loyaliteitsconflict. Het is daarom van belang dat de pleegouders [minderjarige A] de ruimte bieden zich te hechten aan de moeder en haar familie. Het feit dat [minderjarige A] bij de pleegouders de hechtingsfase heeft doorlopen, kan en mag niet doorslaggevend zijn bij het nemen van de beslissing haar terug bij moeder te plaatsen. Van belang daarbij is het advies van zowel het LJ&R als Spirit om [minderjarige A] bij de moeder terug te plaatsen, omdat de moeder vanaf het moment van de uithuisplaatsing heeft laten zien dat zij openstaat voor en meewerkt aan de hulpverlening. Hoewel het een ingrijpende gebeurtenis voor [minderjarige A] zal zijn, zal het op de langere termijn beter voor haar zijn, aldus de moeder.
4.3. De pleegouders vinden dat [minderjarige A] goed bij hen is gehecht. Zij ontwikkelt zich op lichamelijk en cognitief niveau leeftijdsadequaat. [minderjarige A] is gebaat bij continuïteit in haar opvoeding en er is geen enkel goed argument om haar opvoedingsperspectief na zoveel jaar drastisch te wijzigen. De pleegouders merken voorts op dat het feit dat de moeder in staat is [minderjarige A] op te voeden en bereid is hulp te aanvaarden niet van doorslaggevende betekenis is voor de vraag waar [minderjarige A] het beste verder kan opgroeien. Wat betreft de loyaliteit merken de pleegouders op dat er geen sprake is van een loyaliteitsconflict, maar van angst om haar pleegouders kwijt te raken en die angst wordt veroorzaakt door het langdurige terugplaatsingstraject. De pleegouders concluderen tot slot dat terugplaatsing de emotionele ontwikkeling van [minderjarige A] zal schaden, omdat daarmee de veilige hechting in het pleeggezin wordt afgebroken, hetgeen voor haar een trauma zal opleveren.
4.4. Het LJ&R is van mening dat [minderjarige A] opnieuw bij de moeder dient te gaan wonen, omdat de moeder vanaf de uithuisplaatsing van [minderjarige A] heeft laten zien dat zij open staat voor begeleiding en meewerkt aan de hulpverlening. De moeder is in staat haar kinderen groot te brengen. [minderjarige A] reageert daarnaast enthousiast en open op haar moeder. Voorts is gebleken dat de moeder denkt en handelt in het belang van [minderjarige A]. Zij zal [minderjarige A] dan ook de ruimte geven uiting te geven aan haar gevoelens voor de pleegouders.
4.5. Uit de rapportage van dr. Weterings blijkt dat [minderjarige A] goed en veilig aan de pleegouders is gehecht en dat zij zich goed in het pleeggezin ontwikkelt. Zij heeft in de cruciale ontwikkelingsperiode, de eerste vijf levensjaren, een hechtings- en opvoedingsrelatie opgebouwd met de pleegouders, die zij als haar ouders in emotionele zin ervaart. Een terugplaatsing bij de moeder, met wie zij geen hechte relatie heeft opgebouwd, zal een trauma voor haar opleveren. Ook al zou de moeder een zeer competente opvoeder zijn, dan blijft het effect van het verlies van de pleegouders nog steeds hetzelfde.
4.6. Uit onderzoek van de Raad is naar voren gekomen dat [minderjarige A], ondanks haar belaste voorgeschiedenis en daarmee samenhangende kwetsbaarheid, een positieve ontwikkeling doormaakt en een gezonde indruk maakt. Ondanks deze positieve ontwikkeling baart de loyaliteitsproblematiek zorgen. Daarnaast is uit de Familie Relatie Test (FRT) naar voren gekomen dat [minderjarige A] de grootste betrokkenheid op haar pleegmoeder laat zien en in tweede instantie op haar pleegvader. Daarbij valt op dat [minderjarige A] de moeder niet als een voor haar belangrijk persoon ervaart. De Raad is van mening dat, gelet op de hechting van [minderjarige A] aan het pleeggezin, continuering van de huidige situatie de minste risico’s voor [minderjarige A] met zich brengt.
4.7. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat de moeder zich heeft ingespannen om ervoor te zorgen dat [minderjarige A] opnieuw bij haar kan komen wonen. Zij staat open voor hulpverlening en heeft meegewerkt aan de adviezen van de hulpverleners. Daarnaast zorgt zij inmiddels voor haar tweede kind. De moeder stelt terecht dat uit het pleegcontract blijkt dat het uiteindelijke doel was [minderjarige A] weer bij haar terug te plaatsen. Spirit en het LJ&R hebben echter zodanig lang met het in gang zetten van de terugplaatsing gewacht dat [minderjarige A] op dat moment volledig was gehecht aan haar pleegouders. Het hof is van oordeel, mede gezien het rapport van dr. Weterings, dat verbreking van deze hechtingsrelatie een trauma voor [minderjarige A] kan opleveren, omdat zij dan haar veiligheid biedende personen verliest en beangstigd wordt door het gebrek aan de vertrouwde structuur die de pleegouders haar bieden. Een volgende hechtingsrelatie, als die al ontstaat, is hierdoor minder veilig en niet meer vanzelfsprekend. Het basisvertrouwen zal daarmee worden aangetast. Gelet op het vorenstaande acht het hof een terugplaatsing bij de moeder niet in het ontwikkelingsbelang van [minderjarige A]. Het hof is zich ervan bewust dat de beslissing [minderjarige A] bij de pleegouders te laten wonen voor de moeder een grote teleurstelling is, maar het belang van [minderjarige A] dient bij het nemen van deze beslissing te prevaleren. Voorts merkt het hof nog op dat de spanningen bij [minderjarige A] voornamelijk te herleiden zijn tot het ingezette traject en de onzekerheid gedurende de juridische procedure. Het is daarom van belang dat de rust in haar leven terugkeert en haar toekomstperspectief duidelijk is.
4.8. Dit leidt tot de volgende beslissing.
5. Beslissing
Het hof:
bekrachtigt de beschikking waarvan beroep.
Deze beschikking is gegeven door mrs. H.L.L. Neervoort – Briët, R.G. Kemmers en R.P. IJland – van Veen in tegenwoordigheid van mr. H.T. Gitsels als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 15 december 2009.