ECLI:NL:GHAMS:2009:BL1993
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing toelating schuldsaneringsregeling wegens niet te goeder trouw ontstane boetes
De appellant, een voormalig vennoot en werkgever van een restaurant, verzocht om toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling. De rechtbank wees dit verzoek af omdat appellant niet te goeder trouw zou zijn geweest bij het ontstaan van twee bestuurlijke boetes opgelegd door de Arbeidsinspectie en de Voedsel en Waren Autoriteit.
In hoger beroep bevestigde het hof dit oordeel. De boetes waren het gevolg van het in dienst hebben van werknemers zonder tewerkstellingsvergunning en het niet schoonhouden van bedrijfsruimten, waarvoor appellant als vennoot en werkgever verantwoordelijk was. Het hof stelde dat deze nalatigheden niet te goeder trouw konden worden beschouwd.
Hoewel appellant stelde dat hij en zijn vennoten al aflossingen hadden gedaan en dat hij persoonlijke omstandigheden had die toelating rechtvaardigden, vond het hof dat deze omstandigheden onvoldoende waren om het oordeel te wijzigen. Ook het feit dat de echtgenote van appellant mogelijk wel tot de regeling zou worden toegelaten, leidde niet tot een ander oordeel omdat individuele beoordeling centraal staat.
Het hof bekrachtigde daarom de uitspraak van de rechtbank en wees het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling af.
Uitkomst: Verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling wordt afgewezen wegens niet te goeder trouw ontstane boetes.