ECLI:NL:GHAMS:2009:BW5534
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- S.F. Schütz
- J.E. Molenaar
- P.J. Duinkerken
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep over kennelijk onredelijk ontslag na uitbesteding beschikbaarheidsdiensten
De appellant was sinds 1986 in dienst bij Woonzorg Nederland en werkte als beheerder met beschikbaarheidsdiensten waarvoor hij een vergoeding ontving. In 2004 werden deze diensten uitbesteed, waardoor zijn beschikbaarheidstoeslag verviel. Woonzorg Nederland vroeg vervolgens toestemming aan de CWI om de arbeidsovereenkomst te beëindigen, wat werd verleend onder de voorwaarde dat de appellant een nieuwe arbeidsovereenkomst voor 36 uur zou krijgen.
De appellant stelde dat het ontslag nietig was en dat het ontslag kennelijk onredelijk was, onder meer omdat hij meende dat de beschikbaarheidsdiensten niet waren vervallen en dat hij recht had op toepassing van artikel 4.6 van de Sociale Leidraad. De kantonrechter oordeelde dat het ontslag kennelijk onredelijk was en kende een schadevergoeding toe.
Het hof oordeelde dat Woonzorg Nederland geen feiten had achtergehouden bij de CWI, dat de beschikbaarheidsdiensten daadwerkelijk waren vervallen, en dat het ontslag rechtsgeldig was gegeven de ondeelbaarheid van de arbeidsovereenkomst en het feit dat de appellant een passende functie werd aangeboden. Het hof verwierp de toepassing van artikel 4.6 Sociale Leidraad in deze situatie en concludeerde dat het ontslag niet kennelijk onredelijk was. Het bestreden vonnis werd vernietigd en de vorderingen van de appellant afgewezen.
Uitkomst: Het hof vernietigt het vonnis van de kantonrechter en wijst de vorderingen van de appellant af wegens rechtsgeldigheid en niet kennelijk onredelijk ontslag.