Uitspraak
mr. J.B. de Jong, te Amsterdam,
mr. H.C. Bollekamp, advocaat te Amsterdam,
mr. T.P. Hoekstra, te Amsterdam.
Gerechtshof Amsterdam
In deze civiele zaak vordert appellante een verklaring voor recht dat het recht van hypotheek niet rechtsgeldig is gevestigd en dat zij het bedrag van fl. 200.000 vermeerderd met rente niet verschuldigd is aan Iduna. De hypotheekakte van 4 april 1997 vormde dwingend bewijs van de geldlening en het hypotheekrecht, maar appellante voerde tegenbewijs aan dat de lening feitelijk tussen Iduna en haar advocaat [Y] was gesloten, waarbij zij slechts zekerheid wilde stellen.
Het hof stelde vast dat Iduna de bewijslast draagt voor het bestaan van de geldlening en het hypotheekrecht. Op grond van de verklaringen van [Y], de onbetwiste feiten en de processtukken concludeerde het hof dat het geleende bedrag niet aan appellante was verstrekt, maar aan [Y], en dat appellante niet als schuldenaar kon worden aangemerkt.
Daarmee was het dwingend bewijs van de hypotheekakte ontzenuwd. Het hof vernietigde het vonnis van de rechtbank en wees de primaire vorderingen van appellante toe, waaronder het verbod voor Iduna om executiemaatregelen te treffen en de verplichting tot medewerking aan doorhaling van de hypotheekinschrijving.
Uitkomst: Het hof verklaart het hypotheekrecht niet rechtsgeldig gevestigd en wijst de vorderingen van appellante toe.