ECLI:NL:GHAMS:2010:BL9445
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- H.L.L. Neervoort-Briët
- G.J. Driessen-Poortvliet
- W.K. van Duren
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen onderbewindstelling en mentorschap wegens vermeende onbekwaamheid
In deze zaak stond de vraag centraal of appellant, een man geboren in 1930, onderbewindstelling en mentorschap behoefde vanwege vermeende geestelijke beperkingen. De rechtbank had op verzoek van zijn kinderen bewind en mentorschap ingesteld. Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij zijn vermogensrechtelijke en niet-vermogensrechtelijke belangen zelf behoorlijk kan behartigen.
Het hof baseerde zich op een neuropsychologisch onderzoek waaruit bleek dat appellant lichte cognitieve beperkingen heeft, maar geen dementie. Er waren geen aanwijzingen dat hij schulden had gemaakt of zijn belangen onbehoorlijk had waargenomen. Ook de ondersteuning door zijn partner, met wie hij samenwoont en een samenlevingscontract heeft, was relevant.
Gelet op deze feiten oordeelde het hof dat appellant geen belemmeringen ondervindt die onderbewindstelling rechtvaardigen. Ook mentorschap was niet nodig omdat zijn partner hem adequaat ondersteunt bij zijn dagelijkse en overige niet-vermogensrechtelijke belangen. De bestreden beschikking werd daarom vernietigd en het verzoek tot onderbewindstelling en mentorschap afgewezen.
Uitkomst: De beschikking tot onderbewindstelling en mentorschap wordt vernietigd en het verzoek wordt afgewezen.