ECLI:NL:GHAMS:2010:BM0907
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- G.H. van Asperen
- R.C.P. Haentjens
- J.G. Bulsing
- Rechtspraak.nl
Vaststelling en vermindering wederrechtelijk verkregen voordeel bij hennepkwekerij
In deze zaak stond de ontnemingsmaatregel ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht centraal, waarbij het wederrechtelijk verkregen voordeel uit een hennepkwekerij werd vastgesteld. De politierechter had eerder een bedrag van €13.223,20 opgelegd, maar het openbaar ministerie ging in hoger beroep tegen deze berekening.
Het hof oordeelde dat de ontnemingsmaatregel een reparatoir karakter heeft en niet gericht is op leedtoevoeging. Daarom moet het voordeel worden berekend op basis van de daadwerkelijke opbrengst en gemaakte kosten, en niet op ficties zoals meerdere oogsten. De volledige investeringskosten van €9.000 werden in mindering gebracht, evenals variabele en energiekosten.
Het hof verwerpt het standpunt van het openbaar ministerie dat slechts een gedeelte van de investering mag worden afgeschreven, en stelt het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op €15.500. De investering van €31.000 opgegeven door de veroordeelde werd niet aannemelijk geacht.
De verplichting tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt vastgesteld op €15.500. Het hof vernietigt het eerdere vonnis en doet opnieuw recht op basis van deze berekening.
Uitkomst: Het gerechtshof stelt het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op €15.500 en legt betaling aan de Staat op.