ECLI:NL:GHAMS:2010:BM1231
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Toerekening schijn van volmachtverlening aan vertegenwoordigde bij softwarelicentieovereenkomst
In deze civiele zaak staat de vraag centraal of Postkantoren gehouden is aan een overeenkomst over de afname van softwarelicenties (R&R) die door Rendem en Bureau [appellant sub 2] met Postkantoren zijn gesloten. De directeur van Postkantoren, A, had beperkte volmacht volgens de procuratieregeling, maar de appellanten stelden dat zij gerechtvaardigd mochten vertrouwen op zijn vertegenwoordigingsbevoegdheid. Het hof oordeelt dat Postkantoren het risico draagt voor de schijn van volmacht die door A is gewekt, mede omdat A namens Postkantoren had bevestigd dat hij bevoegd was de overeenkomst aan te gaan en het project regelmatig in directievergaderingen werd besproken.
De brief van 31 januari 2006, ondertekend door A, bevat een aanbod voor de afname van licenties en vormt volgens het hof een overeenkomst op hoofdlijnen, ondanks dat Postkantoren stelde dat het slechts een prijsvoorstel betrof en dat de overeenkomst onder voorbehoud van een succesvolle pilot in Gouda was gesloten. Het hof laat de vraag open of dat voorbehoud bestaat en geeft Postkantoren de gelegenheid dit te bewijzen, evenals dat zij mocht afzien van de overeenkomst op grond van teleurstellende pilotresultaten.
Verder oordeelt het hof dat Rendem als contractspartij geldt en dat Postkantoren niet tijdig en op juiste wijze bezwaar heeft gemaakt tegen de vermeende onbevoegdheid van A. Het hof wijst de grieven van appellanten toe voor zover zij zich beroepen op schijn van volmacht, maar houdt de verdere beslissing aan totdat bewijs over het voorbehoud en de schade is geleverd. Het vonnis van de rechtbank dat Postkantoren niet gebonden zou zijn, wordt vernietigd.
Uitkomst: Het hof oordeelt dat Postkantoren gebonden is aan de overeenkomst wegens gerechtvaardigd vertrouwen in volmacht van directeur A, maar houdt bewijs over voorbehoud pilot en schade aan.