ECLI:NL:GHAMS:2010:BM6097
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- R.C.P. Haentjens
- P.M. Brilman
- M. Jurgens
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens terugwerkende kracht opheffing ongewenstverklaring vreemdeling
De verdachte werd ten laste gelegd dat hij op of omstreeks 18 juli 2006 in Nederland verbleef terwijl hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat hij tot ongewenst vreemdeling was verklaard. De politierechter veroordeelde hem hiervoor in eerste aanleg. Later werd echter bij beschikking van de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie op 26 oktober 2006 het bezwaar tegen de ongewenstverklaring gegrond verklaard en de ongewenstverklaring opgeheven met terugwerkende kracht tot 29 april 2006.
De Hoge Raad oordeelde dat deze terugwerkende kracht betekent dat verdachte op de datum van het tenlastegelegde feit geen ongewenst vreemdeling was. Hierdoor kon het tenlastegelegde niet bewezen worden verklaard. Het hof vernietigde het vonnis van de politierechter en sprak verdachte vrij.
De raadsman en de advocaat-generaal onderschreven dit standpunt. Het hof volgde deze redenering en verklaarde dat verdachte niet wettig en overtuigend schuldig was aan het ten laste gelegde. Het arrest werd uitgesproken door de vierde meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam op 21 mei 2010.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken omdat hij op de tenlastegelegde datum geen ongewenst vreemdeling was.