ECLI:NL:GHAMS:2010:BM9487
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- C.J. Laurentius-Kooter
- W. Duitemeijer
- J.J. Makkink
- Rechtspraak.nl
Aansprakelijkheid aanbieder effectenlease wegens tekortschieten zorgplicht en schadevergoeding restschuld
In deze zaak staat de aansprakelijkheid van Defam Financieringen B.V. centraal wegens het aanbieden van het effectenleaseproduct "Spring er uit met Defam Effectenlease" aan [geïntimeerden]. De belegging betrof een lening die werd belegd in aandelen, met het risico op een restschuld indien de verkoopopbrengst van de aandelen onvoldoende was. [Geïntimeerden] vorderde onder meer schadevergoeding wegens onrechtmatig handelen en vernietiging van de overeenkomst wegens dwaling en misbruik van omstandigheden.
Het hof bevestigde dat Defam als aanbieder een bijzondere zorgplicht had om de belegger duidelijk en indringend te waarschuwen voor het risico van een restschuld en om de financiële draagkracht van de belegger vooraf te onderzoeken. Defam was tekortgeschoten in haar waarschuwingsplicht, omdat zij niet in niet mis te verstane bewoordingen had gewaarschuwd voor het restschuldrisico. Dit tekortschieten was causaal verbonden met het sluiten van de overeenkomst en de schade die [geïntimeerden] leed.
De financiële draagkracht van [geïntimeerden] was onvoldoende aangetoond om te concluderen dat de lasten van de overeenkomst een onaanvaardbare last vormden. Daarom rustte op Defam geen onderzoeksplicht om het aangaan van de overeenkomst te ontraden. De schadevergoeding werd verminderd wegens eigen schuld van [geïntimeerden], die bekend was met de aard van de lening en het risico van beleggen met geleend geld. Defam hoefde slechts twee derde van de restschuld te vergoeden, terwijl de betaalde rente volledig voor rekening van [geïntimeerden] bleef.
De vorderingen tot vernietiging van de overeenkomst wegens dwaling en misbruik van omstandigheden werden afgewezen. Ook werd rekening gehouden met voordelen die [geïntimeerden] had genoten uit eerdere effectenlease-overeenkomsten en dividenden, die in mindering werden gebracht op de schadevergoeding. Het hof vernietigde het vonnis van 12 januari 2007 en bekrachtigde het vonnis van 19 juli 2006, wijzend de vorderingen van [geïntimeerden] af en veroordeelde hem tot terugbetaling van onverschuldigd betaalde bedragen aan Defam.
Uitkomst: De vorderingen van de belegger worden afgewezen; Defam is aansprakelijk voor twee derde van de restschuld en de belegger moet onverschuldigd betaalde bedragen aan Defam terugbetalen.