ECLI:NL:GHAMS:2010:BN1983
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- R.G. Kemmers
- H.S.G. Verhoeff
- B.F.P. Lhoëst
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verdeling belastingschuld 2005 binnen huwelijksgoederengemeenschap
Partijen zijn in 2005 in gemeenschap van goederen gehuwd en hun huwelijk is in 2008 ontbonden. De man heeft geen aangifte inkomstenbelasting over 2005 gedaan, waardoor de Belastingdienst een definitieve aanslag heeft vastgesteld op basis van een schatting, resulterend in een schuld van €21.550. De rechtbank had bij de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap de helft van deze schuld, €4.173, aan de vrouw toegedeeld.
De vrouw kwam in hoger beroep en stelde dat zij niet voor de helft van de schuld aansprakelijk mocht worden gesteld omdat zij niet had geprofiteerd van het inkomen van de man over 2005 en omdat de man in gebreke was gebleven door geen aangifte te doen, waardoor de schuld onduidelijk was. Het hof overwoog dat volgens artikel 1:94 lid 2 BW Pro alle schulden van beide echtgenoten deel uitmaken van de huwelijksgoederengemeenschap, ongeacht wie het genot van het inkomen had.
Het hof verwierp het beroep van de vrouw, stellende dat het bestaan van de schuld niet wordt beïnvloed door de onduidelijkheid over de inkomsten en dat de vrouw deze schuld ook had erkend. De toedeling van de helft van de schuld aan de vrouw was niet in strijd met de redelijkheid en billijkheid, aangezien zij onvoldoende had onderbouwd waarom hiervan zou moeten worden afgeweken. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de beschikking van de rechtbank bekrachtigd.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de beschikking dat de helft van de belastingschuld over 2005 aan de vrouw wordt toegedeeld binnen de huwelijksgoederengemeenschap.