ECLI:NL:GHAMS:2010:BN7329
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- A.L.G.A. Stille
- M.W.E. Koopmann
- L.J. Saarloos
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen beslissing kamer gerechtsdeurwaarders over klacht
Appellanten, bestaande uit een besloten vennootschap en een natuurlijk persoon, dienden een klacht in tegen meerdere gerechtsdeurwaarders wegens vermeende schending van hun ministerieplicht. De voorzitter van de kamer voor gerechtsdeurwaarders wees de klacht als kennelijk ongegrond af, waarna appellanten verzet instelden. De kamer verklaarde het verzet ongegrond en wees het beroep af op grond van artikel 39 lid 4 van Pro de Gerechtsdeurwaarderswet, dat een rechtsmiddel tegen deze beslissing uitsluit.
Appellanten voerden aan dat de voorzitter ten onrechte de klacht als kennelijk ongegrond had afgewezen zonder hen de mogelijkheid te geven te reageren op het verweerschrift van de gerechtsdeurwaarders, en dat de ministerieplicht van de gerechtsdeurwaarders was geschonden. Het hof oordeelde dat de voorzitter bevoegd was om de gerechtsdeurwaarders eerst te laten reageren en dat dit niet in strijd was met de wet of fundamentele procesrechten zoals het recht op hoor en wederhoor.
Het hof benadrukte dat de klacht kennelijk ongegrond kon worden verklaard indien op voorhand redelijkerwijs kon worden vastgesteld dat de bezwaren niet konden leiden tot gegrondverklaring. De ministerieplicht laat ruimte voor de gerechtsdeurwaarder om zelfstandig afwegingen te maken over de uitvoering van ambtshandelingen. Het hof verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk omdat het rechtsmiddelenverbod van artikel 39 lid 4 Gdw Pro niet doorbroken werd.
Uitkomst: Het hof verklaart appellanten niet-ontvankelijk in hun hoger beroep tegen de beslissing van de kamer voor gerechtsdeurwaarders.