ECLI:NL:GHAMS:2010:BN9401
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- A.L.G.A. Stille
- M.W.E. Koopmann
- L.J. Saarloos
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen beslissing op verzet klacht gerechtsdeurwaarders
Appellanten, bestaande uit een besloten vennootschap en een natuurlijke persoon, dienden een klacht in tegen meerdere gerechtsdeurwaarders. De voorzitter van de kamer voor gerechtsdeurwaarders wees de klacht bij beschikking af als kennelijk ongegrond. Appellanten stelden verzet in tegen deze beslissing, maar de kamer verklaarde dit verzet ongegrond. Vervolgens werd hoger beroep ingesteld tegen deze beslissing van de kamer.
Het hof overwoog dat artikel 39 lid 4 van Pro de Gerechtsdeurwaarderswet bepaalt dat tegen de beslissing op het verzet geen rechtsmiddel openstaat. Appellanten betoogden dat dit rechtsmiddelenverbod doorbroken moest worden vanwege vermeende schendingen van fundamentele procesbeginselen, waaronder het recht op hoor en wederhoor. Het hof verwierp deze stellingen, stellende dat de voorzitter bevoegd is om zonder nader onderzoek klachten af te wijzen en dat de procedure waarbij de gerechtsdeurwaarder eerst een verweerschrift kon indienen, niet in strijd is met de wet.
Verder oordeelde het hof dat appellanten niet het recht hadden om op het verweerschrift van de gerechtsdeurwaarders te reageren, omdat de wet dit niet voorschrijft. De klacht was volgens het hof terecht als kennelijk ongegrond afgewezen, omdat er geen twijfel bestond over de ongegrondheid. De vermeende tekortkomingen in communicatie met betrekking tot een faillissement waren onvoldoende om de tuchtrechtelijke norm te schenden.
Daarom verklaarde het hof appellanten niet-ontvankelijk in hun hoger beroep en bevestigde de beslissing van de kamer. Het hof benadrukte dat het rechtsmiddelenverbod van artikel 39 lid 4 Gdw Pro niet doorbroken werd, zodat hoger beroep niet mogelijk was.
Uitkomst: Het hof verklaart appellanten niet-ontvankelijk in hun hoger beroep tegen de beslissing van de kamer voor gerechtsdeurwaarders.