2.2.3 Appellanten hebben gesteld te goeder trouw te zijn geweest bij het ontstaan en onbetaald blijven van hun schulden. Zij hebben daartoe – zakelijk samengevat - het volgende aangevoerd.
Het faillissement van Haarlem B.V. is veroorzaakt door het mismanagement en het daarop volgende faillissement van de heer Van der Zee. Haarlem B.V. heeft daardoor de verkoopopbrengst van “t Strandcafé” ad € 165.000,- niet kunnen incasseren, een verlies dat de B.V. niet meer te boven is gekomen. Door de derving van inkomsten kon Zandvoort B.V. de huur van de panden niet langer betalen met ontruiming van “t Strandcafé” en “t Lokaal” tot gevolg. Dat Haarlem B.V. in staat van faillissement is verklaard is – mede daarop gelet - niet aan onbehoorlijk bestuur van appellanten te wijten, ook al zijn (deels) jaarstukken niet tijdig gedeponeerd. De curator in het faillissement van Haarlem B.v. heeft er ook van afgezien terzake een vordering tegen hen in te stellen. Dit faillissement zal blijkens mededelingen van de curator binnenkort wegens gebrek aan baten worden opgeheven.
Voor een aantal vennootschapsschulden hebben appellanten zich op verlangen van de desbetreffende schuldeisers hoofdelijk aansprakelijk moeten stellen. Aan dat verlangen is te goeder trouw voldaan.
Appellanten hebben een overzicht overgelegd van de openstaande belastingaanslagen ten laste van [ Appellant 1 ] en [ Appellanten ] in privé en van Zandvoort B.V., tot welke fiscale eenheid Haarlem B.V. behoort. Hieruit blijkt – aldus appellanten - voor Zandvoort B.V. van een openstaande schuld van ongeveer € 52.000,- en niet, zoals eerder in een faillissementsverslag genoemd, van € 207.000,-.
Met betrekking tot de schuld aan [ S ] hebben appellanten aangevoerd dat zij, buiten hun schuld om, de door hen van
[ S ] gekochte woning niet op de afgesproken datum konden afnemen. De nieuwe woning kon worden gefinancierd uit de opbrengst van de oude woning. Tegen de verwachting in werd één van de drie op de oude woning rustende beslagen niet tijdig opgeheven. Hiervoor waren twee kort geding procedures nodig. Appellanten spraken met [ S ] af om de door hem geleden vertragingsschade ad € 3.700,- te voldoen, hetgeen ook is gebeurd. Ondanks deze afspraak maakte [ S ] later ook nog aanspraak op de contractuele boete, waarop appellanten noodgedwongen op de dag van de overdracht een schuldbekentenis van € 6.000,- hebben getekend. Toen appellanten, door fiscaal loonbeslag, niet in staat bleken dat bedrag te kunnen betalen, heeft [ S ] ontbinding van de desbetreffende overeenkomst en de betaling van de gehele contractuele boete gevorderd. Dit is in rechte toegewezen; appellanten hebben geen hoger beroep ingesteld.
Met betrekking tot de schuld aan M&A Beheer hebben appellanten gesteld dat deze schuld verbouwingskosten van het café betreft waarvoor zij persoonlijk hebben getekend. Appellanten hebben echter verklaard dat deze schuld door M&A niet bij hen zal worden geïnd omdat afgesproken is dat de nieuwe eigenaar van het café deze zal betalen.