ECLI:NL:GHAMS:2010:BP0654
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep kort geding
- M.A. Goslings
- G.J. Visser
- J.H. Huijzer
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vonnis inzake executiegeschil en dwangsommen na echtscheiding
In deze zaak staat een executiegeschil centraal tussen partijen die eerder gehuwd waren en hun huwelijksvermogensrechtelijke afwikkeling geregeld hadden. De voorzieningenrechter had appellant veroordeeld tot het verstrekken van diverse financiële stukken binnen veertien dagen, onder dreiging van een dwangsom.
Appellant stelde dat hij aan de veroordeling had voldaan en dat de dwangsommen onterecht werden geïnd, omdat de veroordeling onduidelijk was en er geen misbruik van executiebevoegdheid was. Het hof oordeelde dat appellant wel degelijk niet volledig aan de veroordeling had voldaan, mede omdat hij essentiële stukken pas laat overhandigde en dat het aan hem was om te beoordelen of hij aan het vonnis had voldaan.
De subsidiaire vordering tot matiging van de dwangsommen op grond van artikel 611d Rv werd afgewezen omdat deze vordering niet binnen de juiste procesorde werd ingebracht. Het hof concludeerde dat de dwangsommen rechtmatig zijn verbeurd en dat de executie daarvan geen misbruik van recht vormt. Het vonnis van de voorzieningenrechter werd bekrachtigd en de kosten van het hoger beroep werden gecompenseerd.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis en wijst de vorderingen van appellant af.