ECLI:NL:GHAMS:2010:BP0943

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
21 december 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200.070.471-01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:157 lid 4 BWArt. 1:157 lid 5 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek tot verlenging en wijziging partneralimentatie afgewezen door Gerechtshof Amsterdam

Partijen zijn in 1991 gehuwd en in 1997 gescheiden. De vrouw is op grond van een beschikking uit 2000 verplicht partneralimentatie aan de man te betalen, welke verplichting twaalf jaar heeft geduurd tot mei 2009.

De man verzocht in hoger beroep om verlenging van de alimentatieverplichting, verhoging van het bedrag en herleving van de verplichting bij uitvoering van een Marokkaans vonnis. De vrouw betwistte deze verzoeken en voerde onder meer aan dat de man tijdens het huwelijk en daarna in staat was zelf in levensonderhoud te voorzien en dat hij onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij in de toekomst geen arbeid meer kan verrichten.

Het hof overwoog dat de man onvoldoende bijzondere omstandigheden had gesteld die verlenging van de alimentatieverplichting rechtvaardigen. Ook het subsidiaire verzoek tot herleving van de alimentatieverplichting bij uitvoering van het Marokkaanse vonnis werd afgewezen, omdat de wet geen herleving van de verplichting na afloop van de termijn toestaat.

Het hof bekrachtigde de beschikking van de rechtbank en wees de verzoeken van de man af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd, en de kosten werden gecompenseerd volgens de gebruikelijke wijze.

Uitkomst: Het hof wijst het verzoek tot verlenging en wijziging van partneralimentatie af en bekrachtigt de beschikking van de rechtbank.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM
MEERVOUDIGE FAMILIEKAMER
BESCHIKKING van 21 december 2010 in de zaak met zaaknummer 200.070.471/01 van:
[…],
wonende te […],
APPELLANT,
advocaat: mr. P. Moraal-Roos te Amstelveen,
t e g e n
[…],
wonende te […],
GEÏNTIMEERDE,
advocaat: mr. I.M.G. Maste te Almere.
1. Het geding in hoger beroep
1.1. Appellant en geïntimeerde worden hierna respectievelijk de man en de vrouw genoemd.
1.2. De man is op 16 juli 2010 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 21 april 2010 van de rechtbank Amsterdam, met kenmerk 432197 / FA RK 09-5115 (JK/LL).
1.3. De vrouw heeft op 1 september 2010 een verweerschrift ingediend.
1.4. De man heeft op 21 oktober 2010 nadere stukken ingediend.
1.5. De zaak is op 4 november 2010 ter terechtzitting behandeld.
1.6. Ter terechtzitting zijn verschenen:
- de man, bijgestaan door zijn advocaat;
- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat.
2. De feiten
Het hof heeft, voor zover hierna bedragen zijn genoemd, deze telkens afgerond, tenzij anders vermeld.
2.1. Partijen zijn [in] 1991 te Tanger (Marokko) gehuwd. Hun huwelijk is op 28 mei 1997 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 19 maart 1997 in de registers van de burgerlijke stand. Blijkens deze beschikking is op het verzoek tot echtscheiding Nederlands recht toegepast.
2.2. Bij beschikking van 19 april 2000 van de rechtbank Amsterdam is een door de vrouw te betalen uitkering tot levensonderhoud van de man bepaald van f 500,- met ingang van 1 juni 1999. Na wettelijke indexering bedraagt de uitkering per 1 januari 2009 € 295,- per maand. De verplichting van de vrouw een uitkering tot het levensonderhoud van de man te voldoen, heeft per 28 mei 2009 twaalf jaren geduurd.
2.3. Ten aanzien van de man is het volgende gebleken.
Hij is geboren [in] 1964. Hij is alleenstaand.
Hij is in maart 2009 volledig arbeidsongeschikt verklaard. Hij ontvangt thans een uitkering van € 765,- netto per maand. Hij ontvangt daarnaast een uitkering van Dienst werk en inkomen van € 101,- netto per vier weken. De vakantietoeslag bedroeg blijkens de uitkeringsspecificatie van mei 2010 € 565,- netto.
Aan kale huur betaalt hij € 338,- per maand. De huurtoeslag bedraagt € 135,- per maand.
Aan premie voor een zorgverzekering betaalt hij € 134,- per maand. Hij ontvangt een zorgtoeslag van € 61,- per maand. Het eigen risico dat aan deze verzekering is verbonden bedraagt € 165,- per jaar.
2.4. Ten aanzien van de vrouw is het volgende gebleken.
Zij is geboren [in] 1969. Zij is alleenstaand.
3. Het geschil in hoger beroep
3.1. De man heeft in eerste aanleg primair verzocht:
a. de termijn van de verplichting van de vrouw om ter zake van het levensonderhoud van de man maandelijks te blijven voldoen een bedrag van (in 2009) € 295,10, jaarlijks te verhogen met de wettelijke indexering, te verlengen tot aan de dood van de man, althans totdat hij 65 jaar is geworden, althans gedurende een termijn die de rechtbank juist acht;
b. de beschikking van 19 april 2000 te wijzigen en te bepalen dat de vrouw bij vooruitbetaling een uitkering in het levensonderhoud van de man moet voldoen van € 500,- per maand, met ingang van 1 juni 2009 althans de uitkering met ingang van een zodanige datum op een zodanig bedrag te bepalen als de rechtbank juist acht.
En subsidiair heeft de man verzocht:
c. te bepalen dat de alimentatieverplichting van de vrouw jegens hem weer gaat lopen op het moment dat de vrouw het ten processe bedoelde Marokkaanse vonnis ten uitvoer gaat leggen, waar dan ook in de wereld;
d. de beschikking van 19 april 2000 te wijzigen en te bepalen dat de vrouw bij vooruitbetaling een uitkering in het levensonderhoud van de man moet voldoen van € 500,- per maand, met ingang van de datum dat de vrouw het Marokkaanse vonnis ten uitvoer gaat leggen, althans een uitkering te bepalen met ingang van een zodanige datum en op een zodanig bedrag als de rechtbank juist acht.
De rechtbank heeft deze verzoeken afgewezen.
3.2. De man verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en alsnog zijn inleidende verzoeken toe te wijzen.
3.3. De vrouw verzoekt de man niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel zijn verzoek af te wijzen, onder veroordeling van de man in de kosten van deze procedure.
4. Beoordeling van het hoger beroep
4.1. Het hof dient te beoordelen of de vrouw langer dan de volgens artikel 1:157, vierde lid van het Burgerlijk Wetboek (BW) geldende termijn van twaalf jaar alimentatie ten behoeve van de man dient te voldoen, en zo ja, of die alimentatie moet worden verhoogd, hetgeen de man bepleit. De vrouw betwist dit gemotiveerd.
4.2. Volgens vaste jurisprudentie dient bij een dergelijk, op het vijfde lid van genoemde wetsbepaling gebaseerd verzoek tot verlenging van de alimentatietermijn onder meer te worden beoordeeld of aan de zijde van de alimentatiegerechtigde bijzondere omstandigheden aanwezig zijn die, gelet op de ingrijpende aard van de beëindiging, in beginsel meebrengen dat ongewijzigde handhaving van de termijn naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van de alimentatiegerechtigde kan worden gevergd. Daarbij zal, naast de financiële situatie waarin de alimentatie¬gerechtigde verkeert, onder meer van belang kunnen zijn in hoeverre zijn of haar behoefte aan voortduring van een uitkering tot levensonderhoud nog verband houdt met het huwelijk, en of de alimentatiegerechtigde alles heeft gedaan wat redelijkerwijze mag worden verwacht om tot financiële zelfstandigheid te geraken.
De primaire verzoeken van de man
4.3. Het hof overweegt als volgt. Nu geen grief is gericht tegen de vaststelling door de rechtbank dat bij beëindiging van de alimentatieplicht van de vrouw jegens de man sprake is van een ingrijpende inkomensterugval, zal in hoger beroep eveneens van dit uitgangspunt worden uitgegaan. Het hof dient derhalve te beoordelen of en in hoeverre naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde handhaving van de twaalfjaarstermijn van de man kan worden gevergd. De stelplicht en, waar nodig, de bewijslast van de voor die beoordeling relevante bijzondere omstandigheden rusten op de man, nu hij verlenging van de alimentatietermijn verzoekt. De man stelt dat indien de alimentatietermijn niet verlengd zou worden, dit zo ingrijpend is, dat ongewijzigde handhaving van de termijn naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van hem kan worden gevergd. Daartoe stelt hij dat hij zowel tijdens huwelijk als daarna niet in staat was in eigen levensonderhoud te voorzien. De man wijst erop dat hij al geruime tijd arbeidsongeschikt is.
De vrouw betwist dit, stellende dat de man ten tijde van het huwelijk studeerde en verschillende baantjes had, hetgeen de man in hoger beroep niet heeft betwist. Daarnaast stelt zij dat hij tijdens hun huwelijk al snel in eigen levensonderhoud moest voorzien, vanwege het vertrek van de vrouw naar haar ouders. Daarbij komt dat de man pas twee jaar na echtscheiding en circa vijf jaar nadat partijen uiteen zijn gegaan, voor het eerst om vaststelling van een bijdrage in zijn levensonderhoud heeft verzocht, aldus de vrouw. Hoewel is gebleken dat de man na het huwelijk arbeidsongeschikt is geraakt, heeft de vrouw aangevoerd dat niet is gebleken dat de man in de toekomst geen arbeid meer zou kunnen verrichten, hetgeen de man evenmin heeft betwist.
Voorts heeft de vrouw gesteld dat er tussen partijen geen lotsverbondenheid meer is en dat zij belang heeft bij beëindiging van de alimentatietermijn. Daartoe voert zij aan dat partijen geen kinderen hebben, slechts kort hebben samengewoond en dat de uitkering die de man ontvangt aangevuld zal worden, wanneer hij geen partneralimentatie meer ontvangt. Daar komt nog bij dat de man recht heeft op toeslagen, waar hij geen recht meer op heeft als hij partneralimentatie ontvangt. Bovendien, zo stelt de vrouw, kan de man van zijn huidige inkomen kennelijk rond komen, nu hij zich nog steeds kan veroorloven regelmatig naar Marokko te gaan. De man heeft al deze stellingen niet, althans onvoldoende weersproken.
Gezien al het vorenstaande heeft de man niet aannemelijk gemaakt dat beëindiging van de uitkering tot levensonderhoud ten gevolge van het verstrijken van de twaalfjaarstermijn naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid zo ingrijpend is, dat deze niet van hem kan worden gevergd. Het door de man gedane bewijsaanbod zal worden gepasseerd, als onvoldoende concreet en onvoldoende gespecificeerd.
Het subsidiaire verzoek van de man
4.4. De man vreest dat de vrouw mogelijkerwijs een Marokkaans vonnis ten uitvoer zal gaan leggen, waarin is bepaald dat de man aan de vrouw alimentatie dient te voldoen, om welke reden hij subsidiair verzoekt de alimentatieverplichting van de vrouw te laten herleven, zodra zij dat vonnis ten uitvoer legt. Daartegen voert de vrouw aan dat zij dan in feite haar eigen alimentatie zou voldoen.
4.5. Het hof zal ook het subsidiaire verzoek van de man afwijzen. De wet voorziet volgens artikel 1:157 lid 5 BW Pro immers slechts in de mogelijkheid van het verlengen van de alimentatietermijn, en dus niet in de mogelijkheid dat de alimentatieverplichting, na ommekomst van de termijn van twaalf jaar, later onder bepaalde toekomstige onzekere voorwaarden weer zou kunnen herleven. Daarbij komt dat tenuitvoerlegging van het Marokkaanse vonnis, wat daar ook van zij, niet alsnog tot de conclusie kan voeren dat de beëindiging van de alimentatieverplichting naar maatstaven van redelijk¬heid en billijkheid niet van de man zou kunnen worden gevergd, nu zoals hiervoor is overwogen de overige door de man daartoe aangevoerde omstandigheden niet aannemelijk zijn geworden.
4.6. Gelet op het vorenstaande komt het hof niet toe aan de primaire en subsidiaire wijzigingsverzoeken van de man en de in het kader daarvan opgeworpen stellingen. Het hof zal de bestreden beschikking bekrachtigen.
4.7. Gelet op de aard van de procedure en de hoedanigheid van partijen, is er geen aanleiding om de man te veroordelen in de proceskosten, zoals door de vrouw is verzocht. Deze kosten dienen op de gebruikelijke wijze te worden gecompenseerd.
4.8. Dit leidt tot de volgende beslissing.
5. Beslissing
Het hof:
bekrachtigt de beschikking waarvan beroep;
wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. M. Wigleven, H.L.L. Neervoort-Briët en A.V.T. de Bie in tegenwoordigheid van mr. H.T. Gitsels als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 21 december 2010.