ECLI:NL:GHAMS:2010:BP3533
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- I.A. Katz-Soeterboek
- E.B. Knottnerus
- W. Duitemeijer
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep inzake kennelijk onredelijk ontslag en vergoeding op grond van RFR-regeling
In deze civiele zaak stond de vraag centraal of de opzegging van de arbeidsovereenkomsten van vijf werknemers door hun werkgever kennelijk onredelijk was. De kantonrechter had eerder geoordeeld dat het ontslag kennelijk onredelijk was en een schadevergoeding toegekend. De werkgever ging hiertegen in hoger beroep.
Het hof heeft vastgesteld dat de werkgever de sluiting van de CTP-afdeling om bedrijfseconomische redenen noodzakelijk achtte en dat de werknemers onvoldoende feiten hadden aangevoerd om te stellen dat de reden voor ontslag voorgewend of vals was. Ook was er onvoldoende bewijs dat herplaatsing mogelijk was binnen het bedrijf.
Verder oordeelde het hof dat de gevolgen van het ontslag voor de werknemers, hoewel nadelig vanwege hun leeftijd en arbeidsmarktpositie, niet zodanig ernstig waren dat het ontslag kennelijk onredelijk was. Dit mede omdat de werknemers een passende vergoeding ontvingen op grond van de RFR-regeling en een aanbod tot outplacementtraject hadden gekregen.
Het hof vernietigde het eerdere vonnis en wees de vorderingen van de werknemers af. Tevens veroordeelde het hof de werknemers tot terugbetaling van de reeds ontvangen vergoedingen met wettelijke rente en in de proceskosten.
Uitkomst: Het hof vernietigt het vonnis van de kantonrechter en wijst de vorderingen van de werknemers af wegens ontbreken van kennelijk onredelijk ontslag.