ECLI:NL:GHAMS:2010:BP8223
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Effectenlease-overeenkomst: zorgplicht en aansprakelijkheid bij restschuld na beleggen
Appellanten sloten via bemiddeling door Amaska een effectenlease-overeenkomst met Defam en KBW Wesselius Effectenbank, waarbij geleend geld werd belegd in effecten. Na afloop van de looptijd ontstond een restschuld die appellanten niet betaalden. In eerste aanleg werden de vorderingen van appellanten afgewezen en werden zij veroordeeld tot betaling van de restschuld.
In hoger beroep stelde het hof vast dat Defam en Amaska een bijzondere zorgplicht hadden om appellanten indringend te waarschuwen voor het risico van een restschuld. Deze zorgplicht was geschonden doordat zij niet in niet mis te verstane bewoordingen hadden gewaarschuwd. Ook was onvoldoende onderzocht of appellanten de financiële lasten konden dragen.
Het hof oordeelde dat appellanten mede schuld hadden aan het ontstaan van de schade door onvoldoende zorgvuldigheid bij het aangaan van de overeenkomst. Daarom werd de vergoedingsplicht van Defam en Amaska verminderd: zij zijn aansprakelijk voor twee derde van de restschuld, terwijl appellanten zelf een derde dragen.
Voorts werd het voordeel dat appellanten hadden genoten uit een eerdere effectenlease-overeenkomst met batig saldo in mindering gebracht op de schadevergoeding. De wettelijke rente is verschuldigd vanaf het einde van de overeenkomst. Het beroep op dwaling en verjaring werd verworpen. De vorderingen van Defam Credit tot betaling van rente en incassokosten werden deels toegewezen.
Het hof vernietigde het vonnis in conventie voor zover het Defam en Amaska betrof en wees de vorderingen van appellanten toe voor zover Defam en Amaska aansprakelijk zijn, met een aangepaste schadevergoeding. In reconventie werd het vonnis deels bekrachtigd en deels vernietigd. De proceskosten werden gecompenseerd.
Uitkomst: Defam en Amaska zijn aansprakelijk voor twee derde van de restschuld en moeten appellanten € 3.212,83 schadevergoeding betalen.