ECLI:NL:GHAMS:2010:BU3318
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- M.E. van Zandwijk-Hillebrands
- A.N. van de Beek
- C.G. Kleene-Eijk
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep over dwaling en uitleg testament bij gewijzigde omstandigheden
In deze zaak staat centraal de uitleg van een testament uit 1980 en de vraag of erflaatster bij haar overlijden in 2004 nog de bedoeling had haar broer als enige erfgenaam aan te wijzen, nu zij in 1993 hertrouwd was in gemeenschap van goederen. De rechtbank had geoordeeld dat erflaatster in de veronderstelling verkeerde dat haar huwelijk het testament buiten werking stelde, waardoor het testament op grond van dwaling geen rechtsgevolgen mocht hebben.
Appellant is het niet eens met deze beoordeling en stelt dat dwaling niet kan leiden tot het buiten werking stellen van een niet-verrichte rechtshandeling. Geïntimeerde betoogt dat de gewijzigde omstandigheden en de verstoorde familieverhoudingen de uitleg van het testament beïnvloeden en dat appellant geen rechten aan het testament kan ontlenen.
Het hof overweegt dat de bewoordingen van het testament taalkundig helder zijn, maar dat op grond van artikel 4:46 BW Pro bij uitleg rekening moet worden gehouden met de omstandigheden en de verhoudingen die de uiterste wil kennelijk wilde regelen. Omdat erflaatster het testament maakte kort na haar echtscheiding en in slechte verhouding stond tot haar ouders, moet worden aangenomen dat zij wilde voorkomen dat haar ouders zouden erven.
Het hof laat geïntimeerde toe tot bewijslevering, waaronder getuigenverhoor, om te onderzoeken of de bedoeling van erflaatster in gewijzigde omstandigheden anders was dan uit het testament blijkt. De beslissing wordt aangehouden totdat dit bewijs is geleverd.
Uitkomst: Het hof staat bewijslevering toe en houdt verdere beslissing aan over de uitleg van het testament en de gevolgen van dwaling.