ECLI:NL:GHAMS:2011:BP2971
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- R.J.E. Thiessen
- J.E. Molenaar
- W.J. van den Bergh
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep over kwalificatie detacheringsovereenkomst als uitzendovereenkomst
In deze zaak stond centraal of een met Headfirst gesloten Mantel Projectovereenkomst met een bemiddelaar voor werkzaamheden bij Nuon als uitzendovereenkomst dan wel als overeenkomst van opdracht moest worden gekwalificeerd. [Appellant] stelde dat er een uitzendovereenkomst was aangegaan, terwijl Headfirst betwistte dat partijen een arbeidsrelatie beoogden.
Het hof nam de feiten over zoals vastgesteld door de kantonrechter, waaronder dat [Appellant] voorheen via een uitzendbureau bij Nuon werkte en dat hij na 1 november 2007 werkzaamheden verrichtte op basis van een projectovereenkomst met Headfirst. De kernvraag was of er sprake was van een gezagsverhouding en dus een arbeidsovereenkomst volgens artikel 7:610 BW Pro.
Het hof concludeerde dat partijen een overeenkomst van opdracht zijn aangegaan, waarbij [Appellant] als zelfstandige zonder personeel (ZZP-er) werkte. Dit werd onderstreept door de VAR van de Belastingdienst die de werkzaamheden kwalificeerde als 'resultaat uit overige werkzaamheden'. De inhouding van loonbelasting en premies door Headfirst werd niet doorslaggevend geacht voor de civielrechtelijke kwalificatie.
De stelling van [Appellant] dat er telefonisch een uitzendovereenkomst was afgesproken, werd onvoldoende onderbouwd. Ook andere omstandigheden, zoals het ontbreken van facturen en de gezagsverhouding met Nuon, veranderden niets aan het oordeel. Het hof bekrachtigde het vonnis van de kantonrechter en veroordeelde [Appellant] in de proceskosten van het hoger beroep.
Uitkomst: Het hof bevestigt dat de overeenkomst een overeenkomst van opdracht is en geen uitzendovereenkomst, en veroordeelt appellant in de proceskosten.