ECLI:NL:GHAMS:2011:BQ2946
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep kort geding
- Rechtspraak.nl
Bekrachtiging vonnis over mandeligheid niet vrijstaande scheidsmuur en dwangsom
In deze zaak staat de mandeligheid van een niet vrijstaande scheidsmuur centraal, waarbij de gebouwen niet even hoog zijn. Appellante bracht bevestigingen aan de muur aan ten behoeve van een dakopbouw, wat geïntimeerde betwistte en verwijdering vorderde. De voorzieningenrechter wees de vordering van geïntimeerde toe en legde appellante een dwangsom op.
Appellante voerde in hoger beroep meerdere grieven aan, waaronder dat de muur mandelig zou zijn en dat zij ontheffing van de dwangsommen zou moeten krijgen wegens permanente onmogelijkheid tot naleving. Het hof oordeelde dat op grond van het oude artikel 681 BW Pro de muur niet mandelig is tot boven het niveau van het minst verhevene gebouw en dat de muur eigendom is van geïntimeerde.
Verder stelde het hof vast dat appellante onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat zij toestemming had voor de aanhechtingen en dat het vonnis in kort geding geen ruimte bood voor uitgebreid feitelijk onderzoek. De grieven faalden en het hof bekrachtigde het bestreden vonnis, veroordeelde appellante in de kosten van het hoger beroep en wees het meer of anders gevorderde af.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis dat de muur eigendom is van geïntimeerde en handhaaft het gebod tot verwijdering van bevestigingen met dwangsom.