ECLI:NL:GHAMS:2011:BQ8565

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
17 mei 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200.073.177-01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over afwikkeling huwelijkse voorwaarden en verdeling woning na echtscheiding

Partijen zijn in 1992 gehuwd onder huwelijkse voorwaarden waarbij een gemeenschap van goederen werd uitgesloten. Na hun echtscheiding in 2009 ontstond een geschil over de verdeling van de huwelijkse voorwaarden en de toedeling van de voormalige echtelijke woning.

De man kwam in hoger beroep tegen de waardering van de woning, de veroordeling tot betaling van € 8.382,22 aan de vrouw, en de uitsluiting van een andere woning uit de verrekening. Het hof oordeelde dat de waarde van de woning op € 400.000 moet worden gesteld, conform het taxatierapport van de vrouw, en verwierp de door de man aangevoerde lagere WOZ-waarde en herstelkosten wegens onvoldoende onderbouwing.

Verder stelde het hof vast dat de kwijtschelding van een schuld door de vader van de man aan de vrouw niet impliceert dat de man haar nog een bedrag verschuldigd is, waardoor de veroordeling tot betaling werd vernietigd. De man kon onvoldoende aantonen dat de andere woning deel uitmaakte van het te verrekenen vermogen, zodat ook die grief faalde.

Het hof bekrachtigde de overige beschikkingen van de rechtbank en wees het overige hoger beroep af. De uitspraak werd gedaan door drie rechters in aanwezigheid van de griffier op 17 mei 2011.

Uitkomst: Het hof vernietigt de veroordeling tot betaling van € 8.382,22 door de man aan de vrouw en bekrachtigt de overige verdelingsbeschikkingen.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM
MEERVOUDIGE FAMILIEKAMER
BESCHIKKING van 17 mei 2011 in de zaak met zaaknummer 200.073.177/01 van:
[…],
wonende te […],
APPELLANT,
advocaat: mr. P. Wieringa te Haarlem,
t e g e n
[…],
wonende te […],
GEÏNTIMEERDE,
advocaat: mr. P.T.M. van Diepen te Alkmaar.
1. Het geding in hoger beroep
1.1. Appellant en geïntimeerde worden hierna respectievelijk de man en de vrouw genoemd.
1.2. De man is op 7 september 2010 in hoger beroep gekomen van de beschikkingen van 16 maart 2010 en
8 juni 2010 van de rechtbank Haarlem, beide met kenmerk 160584 / 09-2731.
1.3. De vrouw heeft op 27 oktober 2010 een verweerschrift ingediend.
1.4. De man heeft op 7 januari 2011 nadere stukken ingediend.
1.5. De zaak is op 6 april 2011 ter terechtzitting behandeld.
1.6. Ter terechtzitting zijn verschenen:
-de man, bijgestaan door zijn advocaat;
-de vrouw, bijgestaan door haar advocaat.
2. De feiten
2.1. Partijen zijn [in] 1992, onder het maken van huwelijkse voorwaarden, gehuwd. Hun huwelijk is op
24 september 2009 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 25 augustus 2009 in de registers van de burgerlijke stand.
2.2. In de door partijen op 6 augustus 1992 overeengekomen huwelijkse voorwaarden is, voor zover thans van belang, het navolgende bepaald.
Artikel 1
Tussen partijen zal geen enkele huwelijksvermogensrechtelijke gemeenschap van goederen bestaan. Derhalve worden zowel de wettelijke algehele gemeenschap van goederen als die van winst en verlies en vruchten en inkomsten uitdrukkelijk uitgesloten.
(…)
Artikel 10
1. Partijen verplichten zich jegens elkander jaarlijks, binnen drie maanden na afloop van een kalenderjaar, ter verdeling bij helfte bijeen te voegen hetgeen van hun arbeidsinkomen in het voorafgaande kalenderjaar onverteerd is, behoudens het bepaalde in artikel 4 lid Pro 3.
2. Als onverteerd in de zin van het vorige lid wordt aangemerkt al hetgeen door belegging of herbelegging van arbeidsinkomsten werd verkregen. De desbetreffende goederen worden in de verrekening betrokken voor hun waarde aan het einde van het desbetreffende kalenderjaar.
3. In de verrekening als in lid 1 van dit artikel bedoeld wordt ook betrokken al hetgeen van inkomsten werd verteerd, voorzover deze vertering niet aan beide echtgenoten gelijkelijk ten goede is gekomen.
(…)
7. Over de periode waarin partijen – anders dan in onderling overleg – niet samenwonen, zal geen verrekening plaatsvinden ten nadele van de andere echtgenoot.
(…)
2.3. Partijen hebben tijdens het huwelijk geen uitvoering gegeven aan het in artikel 10 vermelde Pro verrekenbeding.
3. Het geschil in hoger beroep
3.1. Bij de bestreden beschikking van 8 juni 2010 zijn partijen bevolen over te gaan tot verdeling van de tussen hen bestaande gemeenschap en afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden op de wijze zoals in de beschikking van 16 maart 2010 in rechtsoverweging 2.5 tot en met 2.20 is bepaald, alsmede op de wijze zoals in de beschikking van 8 juni 2010 is opgenomen, waarbij de voormalig echtelijke woning aan de man wordt toegescheiden onder verrekening van de helft van de overwaarde aan de vrouw.
Deze beschikking is gegeven op het verzoek van partijen de verdeling van de tussen partijen bestaande gemeenschap van goederen/huwelijkse gemeenschap vast te stellen.
3.2. De man verzoekt de bestreden beschikkingen te vernietigen en de verdeling en de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden opnieuw vast te stellen met inachtneming van de inhoud van het beroepschrift en na waardering van de in het beroepschrift onder sub 35 a tot en met d en h genoemde posten.
3.3. De vrouw verzoekt het door de man verzochte af te wijzen, hem te veroordelen in de proceskosten en – naar het hof begrijpt – de bestreden beschikking te bekrachtigen.
4. Beoordeling van het hoger beroep
4.1. De grieven van de man richten zich tegen 1) de door de rechtbank aan de voormalig echtelijke woning aan de [b] te [A] (hierna: de woning) toegekende waarde, 2) de beslissing van de rechtbank dat de man aan de vrouw een bedrag van € 8.382,22 dient te vergoeden almede 3) de beslissing van de rechtbank dat de woning [c] te [A] geen deel uitmaakt van het tussen partijen te verrekenen vermogen. Het hof zal deze grieven achtereenvolgens bespreken.
4.2. In eerste aanleg hebben beide partijen om toedeling van de woning verzocht. In dit kader heeft de man verwezen naar een taxatierapport, waaruit blijkt dat de woning in juli 2008 op zijn verzoek is getaxeerd op een waarde van € 375.000,-. Het gaat hier om een zogenaamde geveltaxatie. De vrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat uitgegaan dient te worden van een waarde van € 400.000,- , een waarde die blijkt uit een taxatierapport van Bakker Makelaardij van 10 juni 2009 alsmede een bedrag dat zij voor de woning wilde betalen. De rechtbank heeft de woning aan de man toegedeeld omdat de woning al jaren in het bezit is van de familie van de man zodat aannemelijk is dat de emotionele verbondenheid van de man met de woning groter is dan die van de vrouw. De rechtbank heeft de waarde van de woning overeenkomstig de stellingen van de vrouw bepaald op € 400.000,-.
In hoger beroep heeft de man de WOZ-beschikking 2010 in het geding gebracht waaruit een waarde blijkt van € 344.000,- De man stelt dat het in eerste aanleg in de rede had gelegen om daarbij aan te sluiten of de rechtbank had een deskundige moeten benoemen teneinde een bindende taxatie te verrichten. Verder stelt hij dat de woning moet worden gewaardeerd op € 329.000,-, te weten de WOZ-waarde minus € 15.000,- herstelkosten, omdat de vrouw enige tijd alleen in de woning heeft gewoond, de woning in slechte staat heeft achtergelaten en hij deze kosten heeft moeten maken.
4.3. Met de rechtbank acht het hof het redelijk voor de waarde van de woning uit te gaan van de door de vrouw in eerste aanleg overgelegde taxatie. Er is geen aanleiding uit te gaan van de WOZ-waarde van de woning over 2010 met als waardepeildatum 1 januari 2007, nu niet is gebleken dat deze waarde marktconform is. Evenmin ziet het hof aanleiding om uit te gaan van de geveltaxatie in juli 2008 of tot hertaxatie over te gaan. In dit verband is van belang dat de vrouw bereid was bij toedeling van de woning aan haar met de man af te rekenen uitgaande van een waarde van € 400.000,-. Aldus valt niet in te zien waarom de woning aan de man voor een lager bedrag in de verdeling c.q. verrekening dient te worden betrokken. Met de door de man genoemde herstelkosten zal het hof geen rekening houden, nu de man zijn verzoek de waarde van de woning daarmee te verminderen, onvoldoende heeft onderbouwd. De eerste grief van de man faalt.
4.4. Bij de aankoop van de voormalig echtelijke woning op 2 juli 1993 hebben partijen van de vader van de man een bedrag geleend van f 147.000,- (€ 66.705,69). Op deze schuld dienden partijen wel rente te betalen, doch niet af te lossen. In de daarop volgende jaren heeft de vader van de man aan de vrouw op deze schuld een bedrag van f 91.972,- (€ 41.735,07) kwijtgescholden. De man stelt dat zijn vader weliswaar blijkens de akte van kwijtschelding hem de schuld niet heeft kwijtgescholden, maar dat dit wel de bedoeling van de vader is geweest. Het hof volgt de man daarin niet. Evenals de rechtbank acht het hof het aannemelijk dat de vader van de man de kwijtgescholden bedragen uitsluitend aan de vrouw heeft kwijtgescholden nu de naam van de man niet voorkomt op de akte van kwijtschelding en de man de door hem gestelde bedoeling van zijn vader ook overigens op geen enkele wijze aannemelijk heeft gemaakt. Net als de rechtbank acht het hof het aannemelijk dat de kwijtschelding aan de vrouw in mindering kwam op haar aandeel in de schuld uit de aankoop van de voormalig echtelijke woning, te meer daar gesteld noch gebleken is dat de man ooit enige aflossing op de schuld heeft hoeven doen. Het aandeel van de man in de schuld is door vererving na het overlijden van zijn vader immers teniet gegaan.
4.5. De rechtbank heeft de man veroordeeld aan de vrouw een bedrag van € 8.382,22 te betalen omdat de vrouw in de onderlinge verhouding tussen partijen genoemd bedrag te veel heeft bijgedragen aan haar aandeel in de schuld. De vrouw beroept zich op de akte van kwijtschelding waaruit een en ander blijkt. Het hof oordeelt als volgt. Zoals hiervoor overwogen hadden de door de vader van de man aan de vrouw verrichte kwijtscheldingen tot doel de vrouw haar aandeel in de schuld uit de aankoop van de voormalige echtelijke woning kwijt te schelden. Uit de akte van kwijtschelding valt niet af te leiden dat het daarnaast de bedoeling van de vader is geweest de vrouw, nadat haar aandeel in de schuld was kwijtgescholden, contante bedragen te schenken. Onder die omstandigheden acht het hof het in de onderlinge verhouding tussen partijen niet redelijk dat de man thans, aan het einde van het huwelijk, de vrouw ter zake van de kwijtscheldingen nog een bedrag dient te betalen. Dat betekent dat de tweede grief van de man slaagt.
4.6. De derde grief van de man heeft betrekking op de woning aan het [c] te [A]. Deze woning is sinds
1 juli 1988 eigendom van de vrouw. De man stelt dat de waarde van deze woning deel uitmaakt van het te verrekenen vermogen, evenals de waarde van de aan de hypotheek op deze woning gekoppelde spaarverzekering omdat het vermogen dat aanwezig is op de peildatum wordt vermoed deel uit te maken van het op grond van de huwelijkse voorwaarden tussen partijen te verrekenen vermogen. De vrouw stelt dat zowel de woning, als de daarop rustende hypotheek en de aan de hypotheek gekoppelde spaarverzekering zijn gefinancierd met inkomsten verkregen uit haar vermogen. Zij stelt dat de man nimmer een bijdrage heeft geleverd aan de lasten van de woning omdat de lasten van het [c] altijd ruimschoots uit de huurpenningen konden worden voldaan.
4.7. De derde grief faalt. Zijn stelling dat de aan de woning aan het [c] verbonden kosten zijn betaald met bedragen die hij overmaakte naar de rekening van de vrouw, heeft de man tegenover de gemotiveerde betwisting door de vrouw onvoldoende onderbouwd. Nu deze woning uitsluitend eigendom is van de vrouw en niet is gebleken dat met overgespaarde inkomsten lasten met betrekking tot deze woning zijn betaald of aflossingen op de hypotheek zijn verricht, is er geen aanleiding voor enige verrekening als door de man verzocht.
4.8. De vierde grief van de man mist zelfstandige betekenis, zodat deze geen verdere bespreking behoeft.
4.9. Het hof passeert het bewijsaanbod van de man als onvoldoende gespecificeerd dan wel niet ter zake dienend.
4.10. Dit leidt tot de volgende beslissing.
5. Beslissing
Het hof:
vernietigt de beschikkingen van 16 maart 2010 en 8 juni 2010 voor zover daarin is bepaald dat de man aan de vrouw een bedrag dient te voldoen van € 8.382,22;
bekrachtigt de bestreden beschikkingen voor het overige;
wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. G.J. Driessen-Poortvliet, A.R. Sturhoofd en L.H.M. Zonnenberg in tegenwoordigheid van mr. B.J. Voerman als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 17 mei 2011.