ECLI:NL:GHAMS:2011:BR1762
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen ABN AMRO wegens vermeende tekortkomingen in vermogensadvies en kredietverlening met miljoenenverlies
In deze civiele zaak staat een vermogensadviesrelatie tussen [erflater] en ABN AMRO centraal die in 1997 begon en in 2002 eindigde met aanzienlijke financiële verliezen. [Appellanten], waaronder de erven van [erflater] en diens vennootschappen, stellen dat ABN AMRO tekort is geschoten in haar zorgplicht door onder meer te adviseren in risicovolle ICT-aandelen en het verstrekken van kredieten zonder adequate waarschuwingen.
Het hof oordeelt dat ABN AMRO niet tijdig kon worden verweten dat klachten te laat werden geuit, omdat het protest binnen bekwame tijd na ontdekking van gebreken plaatsvond. Tevens faalt het beroep op rechtsverwerking en verjaring. De rechtbank had ABN AMRO veroordeeld tot betaling van schade wegens transacties tijdens dekkingstekorten, maar de overige vorderingen werden afgewezen.
Het hof stelt dat de bijzondere zorgplicht van ABN AMRO afhankelijk is van de omstandigheden en erkent dat ABN AMRO niet tekortgeschoten is in het waarschuwen voor risico's van beleggen met geleend geld, aangezien deze risico's algemeen bekend waren. Wel staat het hof [appellanten] toe bewijs te leveren dat [erflater] volledig op de adviezen van ABN AMRO vertrouwde en deze opvolgde, wat van belang is voor de vaststelling van de aansprakelijkheid en schadeverdeling.
De zaak wordt aangehouden voor verdere bewijslevering en nadere beslissing over de omvang van de schade en de eigen schuld van [appellanten].
Uitkomst: Het hof staat bewijslevering toe over het vertrouwen op ABN AMRO-adviezen en houdt verdere beslissing aan.