ECLI:NL:GHAMS:2011:BR3306
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling aantastbaarheid vermogensbeheerovereenkomst zonder AFM-vergunning
In deze civiele zaak staat centraal of een overeenkomst tot vermogensbeheer zonder de vereiste vergunning van de Autoriteit Financiële Markten (AFM) nietig is. Appellanten vorderden herstel van de rechtsverhouding en stelden dat de overeenkomst nietig was wegens strijd met de Wet toezicht effectenverkeer (Wte) 1995, omdat geïntimeerde geen vergunning bezat.
Het hof stelt vast dat geïntimeerde vanaf september 2005 tot medio augustus 2008 beleggingsdiensten heeft verricht voor appellanten, waarbij hij toegang had tot een beleggingsrekening. De werkzaamheden vielen onder de definitie van vermogensbeheer zoals bedoeld in artikel 1 Wte Pro 1995 en waren vergunningplichtig volgens artikel 7 lid 1 Wte Pro. Geïntimeerde beschikte echter niet over een vergunning en had zelfs afgezien van de aanvraag.
Desondanks oordeelt het hof dat de overeenkomst niet nietig is op grond van artikel 3:40 lid 2 BW Pro. Dit volgt uit artikel 1:23 Wft Pro, dat bepaalt dat privaatrechtelijke rechtshandelingen die in strijd zijn met de financiële toezichtwetgeving in principe niet nietig zijn, tenzij bij wet anders is bepaald. De wetgever heeft dit geregeld om het vertrouwen en functioneren van de effectenmarkt te waarborgen.
De primaire vordering van appellanten wordt daarom afgewezen en het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank. Appellanten worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis en wijst de vorderingen van appellanten af wegens het ontbreken van nietigheid van de vermogensbeheerovereenkomst zonder vergunning.