ECLI:NL:GHAMS:2011:BR6435
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- R.H. de Bock
- H.J.M. Boukema
- M.A.J.G. Jansen
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep over erfdienstbaarheid en herstel verharding voetpad
In deze civiele zaak staat de erfdienstbaarheid van een voetpad centraal dat ten laste ligt van het perceel van appellant en ten behoeve van de percelen van geïntimeerden is gevestigd. Appellant had zonder overleg de verharding van het pad gewijzigd door tegels te vervangen door grind, wat tot een geschil leidde over de uitoefening van de erfdienstbaarheid.
De rechtbank had appellant veroordeeld tot herstel van het pad in de oude toestand met tegels en verboden om het gebruik van het pad door geïntimeerden te verhinderen. In hoger beroep stelde appellant dat hij het pad op een andere, maar vergelijkbare wijze mocht verharden en dat de overlast door geïntimeerden onvoldoende was bewezen.
Het hof oordeelde dat de erfdienstbaarheid en de wijze van uitoefening worden bepaald door de akte van vestiging en de plaatselijke gewoonte, waarbij het pad minstens twintig jaar met tegels verhard was geweest. Appellant mocht de verharding niet zonder toestemming wijzigen, maar mocht wel grindtegels plaatsen mits dit de begaanbaarheid niet verslechterde. Het hof verwierp het beroep op overlast wegens onvoldoende onderbouwing.
De uitspraak van de rechtbank wordt grotendeels bekrachtigd, met uitzondering van het herstel in oude toestand door het plaatsen van oude tegels; appellant mag grindtegels plaatsen. Appellant wordt veroordeeld tot herstel binnen drie maanden en tot betaling van proceskosten.
Uitkomst: Appellant moet het pad binnen drie maanden herstellen met oude tegels of vergelijkbare tegels, met een dwangsom bij niet-naleving.