ECLI:NL:GHAMS:2011:BT7304
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs handelsvoorraad softdrugs boven maximum in coffeeshop
In deze zaak stond de verdachte terecht wegens het bezit van een handelsvoorraad softdrugs die het toegestane maximum van 500 gram voor coffeeshops te boven zou gaan. De aangetroffen softdrugs bevonden zich zowel in de coffeeshop als in een kast in hetzelfde gebouw, waarvan medewerkers dagelijks voorraad haalden. Het Openbaar Ministerie stelde dat de totale hoeveelheid als handelsvoorraad moest worden beschouwd en dat de verdachte hiervoor verantwoordelijk was.
De verdediging voerde aan dat de voorraad in de kast niet bij de handelsvoorraad van de coffeeshop mocht worden opgeteld en dat het Openbaar Ministerie niet ontvankelijk was. Tevens stelde zij dat zij slechts kort werkzaam was en niet beschikte over de voorraad in de kast. Het hof overwoog dat de totale hoeveelheid softdrugs inderdaad het maximum overschreed, maar dat niet met voldoende zekerheid was vastgesteld dat de verdachte de beschikking had over de voorraad in de kast.
Het hof verwierp het verweer dat bestuursrechtelijke jurisprudentie de strafrechtelijke vervolging zou uitsluiten, aangezien geen bestuursrechtelijk oordeel was gegeven en de criteria niet wezenlijk verschilden. Uiteindelijk vernietigde het hof het vonnis van de politierechter en sprak de verdachte vrij wegens gebrek aan wettig en overtuigend bewijs.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs van beschikking over handelsvoorraad softdrugs boven maximum.