ECLI:NL:GHAMS:2011:BT7317
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- J.H. Huijzer
- E.E. van Tuyll van Serooskerken-Röell
- W.J. Noordhuizen
- Rechtspraak.nl
Gerechtshof bevestigt rechtmatigheid gijzeling op grond van WAHV ondanks betalingsonmacht appellant
In deze zaak ging het om de vraag of de gijzeling van appellant op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (WAHV) rechtmatig was. Appellant had meerdere verkeersovertredingen begaan en de daarbij opgelegde sancties niet betaald, waarna de kantonrechter gijzeling toestond als dwangmiddel. Appellant betwistte dit en voerde onder meer aan dat hij niet in staat was te betalen en dat de gijzeling in strijd zou zijn met het Benham-arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens.
Het hof overwoog dat appellant geen gebruik had gemaakt van het beschikbare rechtsmiddel om de sancties inhoudelijk te laten herbeoordelen en dat de kantonrechter terecht had geoordeeld dat gijzeling kon worden toegepast nadat de betalingstermijn was verstreken. De stelling van appellant dat artikel 2 van Pro het zevende protocol EVRM een volledige herbeoordeling vereist, werd verworpen, mede omdat Nederland dit protocol niet heeft geratificeerd.
Verder oordeelde het hof dat appellant onvoldoende had onderbouwd dat hij daadwerkelijk niet kon betalen. De psychologische verklaring over overspannenheid en angst voor gijzeling was onvoldoende om af te zien van de maatregel. Ook het argument dat geen alternatieve sancties waren overwogen faalde, omdat de WAHV geen taakstraf kent en appellant geen realistische betalingsregeling had aangeboden.
Het hof concludeerde dat geen sprake was van misbruik van bevoegdheid door de Staat en bekrachtigde het vonnis van de voorzieningenrechter. Appellant werd veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis en wijst het hoger beroep af, waardoor de gijzeling op grond van de WAHV rechtmatig blijft.