ECLI:NL:GHAMS:2011:BT8354
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- R.C.P. Haentjens
- P.M. Brilman
- R.E. de Winter
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs voorkennis bij verkoop aandelen Crucell
De verdachte werd beschuldigd van het beschikken over voorwetenschap in strijd met artikel 46, tweede lid, van de Wet toezicht effectenverkeer 1995 (oud) door op 27 april 2005 15.000 aandelen Crucell N.V. te verkopen terwijl hij zou beschikken over niet-openbare koersgevoelige informatie. In hoger beroep werden verweren aangevoerd over vormverzuimen in het voorbereidend onderzoek, waaronder het onrechtmatig bewaren van geheimhoudersgesprekken.
Het hof oordeelde dat hoewel sprake was van een onherstelbaar vormverzuim door het bewaren van opnamen van geheimhoudersgesprekken, dit geen nadelige gevolgen had voor de verdediging van de verdachte en daarom geen sanctie rechtvaardigde. Daarnaast werd geoordeeld dat de tapmachtiging terecht was verleend gezien de aard van het misdrijf.
Op inhoudelijke gronden was het hof van oordeel dat niet wettig en overtuigend was bewezen dat de verdachte beschikte over voorkennis. De opgenomen telefoongesprekken en andere bewijsstukken boden geen eenduidig bewijs van voorwetenschap. Ook was geen relatie met Crucell of een adviseur daarvan aangetoond. Daarom sprak het hof de verdachte vrij van de ten laste gelegde feiten.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs van handel met voorkennis.