ECLI:NL:GHAMS:2011:BU3801
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- A.N. van de Beek
- H.S.G. Verhoeff
- J.E. Geuzinge
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep inzake gezag en verhuizing minderjarige met dubbele nationaliteit
Partijen, een man met de Belgische nationaliteit en een vrouw met de Duitse nationaliteit, hebben een minderjarige met dubbele nationaliteit. Na beëindiging van hun relatie is een co-ouderschapsregeling overeengekomen waarbij het kind in Nederland verblijft en het gezag gezamenlijk wordt uitgeoefend volgens Belgisch recht.
De vrouw verzocht om vervangende toestemming om met het kind naar Berlijn te verhuizen, wat de man betwistte. Het hof oordeelde dat op grond van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1961 beide nationale gezagsverhoudingen cumulatief erkend moeten worden en dat Nederlands recht niet van toepassing is op het gezag.
De vrouw kon onvoldoende onderbouwen dat een verhuizing in het belang van het kind is, mede vanwege onzekerheden over huisvesting en werk in Berlijn en de negatieve gevolgen van een frequente wisseling van woonplaats en school voor het jonge kind. Het belang van het kind bij continuïteit en intensief contact met beide ouders weegt zwaarder.
De bestaande co-ouderschapsregeling wordt als goed functionerend beoordeeld en er is onvoldoende bewijs dat deze niet in het belang van het kind is. Het hof bekrachtigt daarom de beschikking van de rechtbank en wijst het verzoek van de vrouw om verhuizing af.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het gezamenlijk gezag en weigert toestemming voor verhuizing naar Duitsland.