ECLI:NL:GHAMS:2011:BU3810

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
8 november 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
20-003217-11
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 13 Wet bodembeschermingArt. 1 Wet bodembeschermingArt. 359 Wetboek van StrafvorderingArt. 167 Wetboek van Strafvordering
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs bodemverontreiniging door lekkend voertuig

In deze strafzaak stond verdachte terecht voor het vermeende lekken van olie of een olieachtige vloeistof uit zijn motorvoertuig, waardoor de bodem zou zijn verontreinigd. De tenlastelegging betrof het overtreden van artikel 13 van Pro de Wet bodembescherming, waarbij verdachte werd verweten onvoldoende maatregelen te hebben genomen om bodemverontreiniging te voorkomen of te beperken.

Het hof heeft het bewijs zorgvuldig onderzocht, waaronder verklaringen van verbalisanten en fotomateriaal. Hoewel de vloeistof op het wegdek onder het voertuig terechtkwam, bestond dit uit klinkers met voegen van circa vijf millimeter. Het hof oordeelde dat niet wettig en overtuigend was bewezen dat de vloeistof daadwerkelijk op of in de bodem, zoals bedoeld in de Wet bodembescherming, was geraakt.

De verdediging voerde een niet-ontvankelijkheidsverweer aan omdat het een bagatelzaak zou betreffen, maar dit werd verworpen. Het hof vernietigde het vonnis van de politierechter en sprak verdachte vrij wegens onvoldoende bewijs. De uitspraak benadrukt het belang van een strikte bewijsvoering bij milieuovertredingen en de toepassing van het motiveringsvoorschrift van artikel 359 Sv Pro.

Het openbaar ministerie had in hoger beroep een veroordeling gevorderd tot een voorwaardelijke geldboete of vervangende hechtenis, maar het hof kon deze vordering niet honoreren wegens gebrek aan bewijs. De zaak illustreert de zorgvuldigheid die vereist is bij het vaststellen van bodemverontreiniging en de grenzen van het opportuniteitsbeginsel in vervolgingsbeslissingen.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs dat olie daadwerkelijk op of in de bodem is geraakt.

Uitspraak

Sector strafrecht
Parketnummer : 20/003217-11
Uitspraak : 8 november 2011
TEGENSPRAAK
Arrest van de economische kamer van het gerechtshof Amsterdam, zittinghoudende te 's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de economische politierechter in de rechtbank Amsterdam van 12 oktober 2010 in de strafzaak met parketnummer 13/501268-09 tegen:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] in het jaar 1986,
wonende te [woonplaats], [adres].
Hoger beroep
De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft – anders dan blijkt uit haar schriftelijke vordering – gevorderd dat het hof het vonnis van de economische politierechter zal vernietigen en opnieuw rechtdoende de verdachte voor het tenlastegelegde zal veroordelen tot een voorwaardelijke geldboete van EUR 200,- , subsidiair 4 dagen vervangende hechtenis, met een proeftijd van twee jaren.
Vonnis waarvan beroep
Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat de economische politierechter kon volstaan met aantekening van de uitspraak op een aan het dubbel van de dagvaarding gehecht stuk, maar het hof gebonden is aan het motiveringsvoorschrift van artikel 359 van Pro het Wetboek van Strafvordering.
Tenlastelegging
Aan verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 23 april 2009, althans in of omstreeks de maand april 2009, te Amsterdam op en/of in de omgeving van het Goed Geluimhof met een lekkend (vierwielig) motorvoertuig (gekentekend [kenteken]) heeft geparkeerd en/of laten staan, ten gevolge waarvan olie, althans een op olie gelijkende vloeistof, in ieder geval een of meer afvalstoffen, zijnde (een) stof(fen) die de bodem kan/kunnen verontreinigen en/of aantasten, op en/of in de bodem was/waren geraakt, zulks terwijl hij wist en/of redelijkerwijs had kunnen vermoeden dat door die handeling(en) de bodem kon worden verontreinigd en/of aangetast, en toen niet alle maatregelen heeft genomen die redelijkerwijs van hem konden worden gevergd teneinde die verontreiniging en/of aantasting te voorkomen en/of indien die verontreiniging en/of aantasting zich voordeed, toen de verontreiniging en/of de aantasting en de directe gevolgen daarvan niet heeft beperkt en niet zoveel mogelijk ongedaan heeft gemaakt.
Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie
De raadsman van verdachte heeft betoogd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de strafvervolging, omdat het – zakelijk weergegeven – een bagatelzaak betreft die niet had behoren te worden vervolgd.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
Het niet-ontvankelijkheidsverweer treft geen doel, omdat het krachtens het in artikel
167, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering neergelegde opportuniteitsbeginsel aan het openbaar ministerie is om te beslissen of – en zo ja – wie vervolgd wordt. Slechts indien zou blijken dat het openbaar ministerie bij zijn vervolgingsbeslissing zou handelen in strijd met de wet, een verdrag, of enig beginsel van een goede procesorde, zou dit de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie kunnen raken.
Het bestaan van zulke feiten of omstandigheden is uit het onderzoek ter terechtzitting niet aannemelijk geworden, immers het enkele feit dat er in de ogen van de verdediging sprake zou zijn van een bagatelzaak – wat daar ook van zij – kunnen niet als zodanig worden aangemerkt.
Nu ook overigens geen feiten of omstandigheden zijn aangevoerd of anderszins aannemelijk zijn geworden die zouden moeten leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, is het openbaar ministerie ontvankelijk in de vervolging.
Vrijspraak
De verdachte wordt verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan overtreding van het bepaalde in de artikel 13 van Pro de Wet bodembescherming. Tenlastegelegd is – onder meer – dat door verdachtes toedoen olie, althans een op olie gelijkende vloeistof, in ieder geval een of meer afvalstoffen, op en/of in de bodem was/waren geraakt.
In artikel 1 van Pro de Wet bodembescherming, zoals die luidde ten tijde van de tenlastelegging, is bepaald dat in die wet en de daarop rustende bepalingen onder ‘bodem’ wordt verstaan: het vaste deel van de aarde met de zich daarin bevindende vloeibare en gasvormige bestanddelen en organismen.
Uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is naar het oordeel van het hof gebleken dat de vloeistof die uit het voertuig van verdachte lekte terecht is gekomen op het wegdek alwaar het voertuig stond geparkeerd, bestaande uit klinkers met daartussen voegen van circa 5 millimeter. Naar het oordeel van het hof is echter niet dan wel onvoldoende gebleken dat die vloeistof (vervolgens) daadwerkelijk op en/of in de bodem, zoals bedoeld in de Wet bodembescherming, is geraakt.
Immers, de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] vermelden in het proces-verbaal dat zij zagen dat het wegdek onder de auto bestond uit klinkers met daartussen voegen van circa 5 millimeter, waardoor de vloeistof in de bodem kon dringen. Zij hebben dus blijkbaar niet vastgesteld dat de vloeistof daadwerkelijk op of in de bodem terecht is gekomen. De zich in het procesdossier bevindende foto biedt naar het oordeel van het hof evenmin uitsluitsel over de vraag of de vloeistof daadwerkelijk op en/of in de bodem is geraakt.
Dat er daarvoor wel een kans bestond, zoals door de advocaat-generaal is aangevoerd, doet daar – gelet op de formulering van de tenlastelegging – niet aan af.
Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, zodat verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.
Aldus gewezen door
mr. T.A. de Roos, voorzitter,
mr. H. Harmsen en mr. K. van der Meijde, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. J.A.G.W.M. van der Vleuten, griffier,
en op 8 november 2011 ter openbare terechtzitting uitgesproken.