ECLI:NL:GHAMS:2011:BU6985
Gerechtshof Amsterdam
- Raadkamer
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid openbaar ministerie wegens mogelijke vluchtelingenstatus verzoeker
De verzoeker is vervolgd wegens bezit van een vals reisdocument en valsheid in geschrift. In eerste aanleg werd hij veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 4 maanden. In hoger beroep verklaarde het hof het openbaar ministerie niet-ontvankelijk omdat niet was uitgesloten dat de verzoeker onder de bescherming van artikel 31 lid 1 Vluchtelingenverdrag Pro viel, waardoor de vervolging te lichtvaardig was gestart.
Tegen dit arrest werd cassatieberoep ingesteld, maar dit werd ingetrokken. De raadsvrouw van de verzoeker stelde dat de strafzaak daarmee beëindigd was en dat de verzoeker aanspraak maakte op schadevergoeding voor de ondergane voorlopige hechtenis. Het hof oordeelde echter dat de niet-ontvankelijkheid herstelbaar is en dat het openbaar ministerie onder gewijzigde omstandigheden opnieuw kan vervolgen.
Het hof verwierp het standpunt dat de strafzaak definitief beëindigd is en dat de verzoeker daarom recht heeft op vergoeding. Ook de stelling dat de tijdelijke verblijfsstatus van de verzoeker een beroep op artikel 31 Vluchtelingenverdrag Pro bevestigt en hernieuwde vervolging uitsluit, werd niet gevolgd. Het hof concludeerde dat het verzoek tot vergoeding voorbarig was en verklaarde de verzoeker niet-ontvankelijk.
Uitkomst: Verzoeker is niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot schadevergoeding omdat de strafzaak niet is beëindigd.