ECLI:NL:GHAMS:2011:BV0335
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Verzekeraar gehouden tot uitkering bij onduidelijkheid over levensverzekering op twee levens
In deze civiele zaak stond de vraag centraal of tussen DBV en [Y] een levensverzekeringsovereenkomst tot stand was gekomen, naast de polis op het leven van [appellant]. Het hof stelde vast dat onvoldoende tegenbewijs was geleverd om te ontkennen dat ook een polis op het leven van [Y] was gesloten. De getuigenverklaring en administratiegegevens boden geen overtuigend bewijs dat partijen slechts een verzekering op het leven van [appellant] beoogden.
DBV voerde aan dat het onaanvaardbaar was om haar aan de overeenkomst met [Y] te houden en dat er sprake was van dwaling en verzwijging door [appellant] en [Y]. Het hof verwierp deze verweren, onder meer omdat de fouten van DBV niet evident waren voor de verzekeringnemers en de medische informatie niet spontaan hoefde te worden gedeeld. Ook het beroep op dwaling werd afgewezen, aangezien de onjuiste voorstelling van zaken door DBV zelf was veroorzaakt.
Het hof oordeelde dat DBV gehouden is tot uitkering van de verzekeringspenningen omdat het verzekerde risico zich had verwezenlijkt. Tevens werd DBV veroordeeld tot betaling van de premies over de periode na het overlijden van [Y], vermeerderd met wettelijke rente. De kosten van beide instanties werden aan DBV opgelegd. Het arrest is gewezen door het Gerechtshof Amsterdam op 15 november 2011.
Uitkomst: DBV wordt veroordeeld tot betaling van de verzekerde som en premies na overlijden van [Y], vermeerderd met wettelijke rente.