ECLI:NL:GHAMS:2012:BW2087
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- R.H. de Bock
- W.J. Noordhuizen
- C.C. Meijer
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep in zaak beroepsaansprakelijkheid advocaat wegens niet aanvragen toevoeging
In deze zaak staat de beroepsaansprakelijkheid van een advocaat centraal die werkzaamheden verrichtte voor appellanten in hun echtscheidingsprocedures. De advocaat had een toevoeging voor gefinancierde rechtshulp aangevraagd voor een van de appellanten, die werd afgewezen, terwijl voor de ander geen toevoeging was aangevraagd. Appellanten stelden dat de advocaat verwijtbaar had gehandeld door geen toevoeging aan te vragen na wijzigingen in hun financiële situatie.
De rechtbank had de vorderingen van de advocaat grotendeels toegewezen, en appellanten kwamen hiertegen in hoger beroep met drie grieven. Het hof oordeelde dat appellanten onvoldoende hadden onderbouwd dat de advocaat verwijtbaar had gehandeld. Zo was het inkomen van appellant sub 1 te hoog voor een toevoeging en was voor appellant sub 2 reeds een toevoeging afgewezen vanwege overschrijding van de vermogensgrens. De door appellanten aangevoerde wijzigingen in financiële situatie en verliezen werden onvoldoende aannemelijk gemaakt.
Het hof verwierp de grieven en bekrachtigde het vonnis van de rechtbank. Appellanten werden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep. Het bewijsaanbod van appellanten werd als niet ter zake dienend gepasseerd. Het arrest werd uitgesproken door de rolraadsheer namens het hof.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank en wijst het hoger beroep af, met veroordeling van appellanten in de kosten.