ECLI:NL:GHAMS:2012:BW8380
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen niet-ontvankelijkverklaring OM wegens rol verdachte als informant in cocaïne-invoerzaak
De verdachte werd verdacht van voorbereidingshandelingen gericht op de invoer van circa 2.000 kilogram cocaïne via Nederland en Duitsland. Hij had gedurende langere tijd informatie verstrekt aan Duitse opsporingsautoriteiten (Zollfahndungsamt) en werkte als informant, niet als criminele burgerinfiltrant. De rechtbank verklaarde het OM niet-ontvankelijk wegens onvoldoende transparantie en het niet delen van cruciale informatie over de rol van de verdachte.
In hoger beroep onderzocht het hof de feiten, de wetenschap van het OM en de rol van de verdachte. Het hof concludeerde dat de Nederlandse strafrechter terughoudend moet zijn bij toetsing van buitenlandse opsporingsactiviteiten en dat de verdachte niet als infiltrant kan worden aangemerkt. Het OM had de informatie over de informantenrol beperkt gedeeld om de identiteit te beschermen, wat begrijpelijk was, maar had proactiever moeten handelen bij het verantwoorden aan de rechter.
Het hof stelde dat de vormverzuimen beperkt waren en het nadeel voor de verdachte niet zodanig dat niet-ontvankelijkheid gerechtvaardigd was. De verdachte had zelf de ambiguïteit veroorzaakt door zijn dubbelrol. Het hof vernietigde het vonnis van de rechtbank en verwees de zaak terug voor inhoudelijke behandeling.
Uitkomst: Het hof vernietigt het vonnis van niet-ontvankelijkheid en wijst de zaak terug naar de rechtbank voor verdere behandeling.