ECLI:NL:GHAMS:2012:BX5490
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling en aanpassing ondertoezichtstelling minderjarige wegens bedreigde ontwikkeling
De zaak betreft een hoger beroep van de moeder tegen de ondertoezichtstelling van haar minderjarige zoon, die door de Raad voor de Kinderbescherming was ingesteld wegens een bedreigde ontwikkeling. De kinderrechter had de ondertoezichtstelling aanvankelijk voor drie maanden uitgesproken en later voor een jaar, hetgeen het hof corrigeert vanwege de maximale termijn van openbare orde.
Het hof constateert dat hoewel de ontwikkeling van de minderjarige op dit moment leeftijdsadequaat is, er nog steeds zorgen bestaan over zijn veiligheid en opvoedingssituatie. Deze zorgen betreffen onder andere het niet nakomen van afspraken met een fysiotherapeut en de onduidelijke en inadequate woonsituatie van de moeder en het kind.
De moeder ontkent dat de gronden voor ondertoezichtstelling aanwezig zijn en stelt dat zijzelf onder toezicht lijkt te zijn gesteld. Het hof benadrukt dat de minderjarige afhankelijk is van de moeder en dat zij zowel praktische als opvoedkundige hulp nodig heeft, waaronder intensieve ondersteuning bij opvoeding en zelfstandig wonen. De moeder weigert echter tot op heden een indicatiebesluit te tekenen, waardoor noodzakelijke hulpverlening niet goed mogelijk is.
Het hof oordeelt dat de gronden voor ondertoezichtstelling ten tijde van de beschikking aanwezig waren en nog steeds voortduren. Daarom vernietigt het hof de beschikking voor zover de ondertoezichtstelling voor een jaar is uitgesproken en stelt deze in voor negen maanden vanaf 27 maart 2012. De beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: De ondertoezichtstelling wordt vernietigd voor de duur van een jaar en vastgesteld op negen maanden vanaf 27 maart 2012.