ECLI:NL:GHAMS:2012:BZ1054

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
16 oktober 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200.106.049/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake toewijzing huurrecht echtelijke woning na echtscheiding

Partijen zijn in 1990 gehuwd en bij de bestreden beschikking is hun echtscheiding uitgesproken. De rechtbank heeft bepaald dat de man huurder wordt van de woning vanaf de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking.

De vrouw is in hoger beroep gekomen met het verzoek dat zij huurder wordt van de woning, stellende dat haar oorspronkelijke verzoek berust op een misverstand vanwege taalproblemen en dat zij een groter belang heeft bij het huurrecht.

Het hof overweegt dat hoger beroep niet bedoeld is om een beschikking ongedaan te maken aan de hand van een gewijzigde voorkeur van de partij die het verzoek eerder heeft gewonnen. De vrouw heeft ter zitting haar standpunt duidelijk kunnen toelichten en er zijn geen bijzondere omstandigheden die een uitzondering rechtvaardigen.

Daarom verklaart het hof de vrouw niet-ontvankelijk in haar hoger beroep en behoeft de rest van haar stellingen geen bespreking.

Uitkomst: De vrouw wordt niet-ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep tegen de toewijzing van het huurrecht aan de man.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM
Sector familierecht
Uitspraak: 16 oktober 2012
Zaaknummer: 200.106.049/01
Zaaknummer eerste aanleg: 187057/FA RK 11-3917
in de zaak in hoger beroep van:
[…],
wonende te […],
appellante,
advocaat: mr. S. Bouddount te Amsterdam,
tegen
[…],
wonende te […],
geïntimeerde,
advocaat: mr. S. Rozemeijer te Velserbroek.
1. Het geding in hoger beroep
1.1. Appellante en geïntimeerde worden hierna respectievelijk de vrouw en de man genoemd.
1.2. De vrouw is op 27 april 2012 in hoger beroep gekomen van een gedeelte van de beschikking van 31 januari 2012 van de rechtbank Haarlem, met kenmerk 187057/FA RK 11-3917.
1.3. De zaak is op 19 september 2012 ter terechtzitting behandeld.
1.4. Ter terechtzitting zijn verschenen:
- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
- de man, bijgestaan door zijn advocaat.
2. De feiten
Partijen zijn [in] 1990 gehuwd. Bij de bestreden beschikking is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken.
3. Het geschil in hoger beroep
3.1. Bij de bestreden beschikking is, voor zover thans van belang, op het verzoek van de vrouw bepaald dat de man huurder zal zijn van de woning aan het adres [A] (hierna: de woning), met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand.
3.2. De vrouw verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, te bepalen dat zij huurder zal zijn van de woning met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand.
4. Beoordeling van het hoger beroep
4.1. Ter onderbouwing van haar hoger beroep voert de vrouw aan dat het nooit haar bedoeling is geweest dat het huurrecht van de echtelijke woning aan de man zou worden toegedeeld en dat haar inleidend verzoek in zoverre berust op een misverstand tussen haar en haar advocaat, ontstaan door een gebrekkige beheersing van de Nederlandse taal. Verder stelt zij dat zij een groter belang heeft om huurder van de woning te zijn dan de man.
De man heeft ter terechtzitting primair betoogd dat de vrouw niet-ontvankelijk dient te worden verklaard omdat zij in eerste aanleg heeft gekregen wat zij heeft verzocht, subsidiair dat haar verzoek dient te worden afgewezen.
4.2. Het hof overweegt als volgt. Volgens vaste jurisprudentie geldt dat het rechtsmiddel van hoger beroep niet is gegeven om aan een partij wier verzoek door de eerste rechter is toegewezen, gelegenheid te geven die beschikking ongedaan te maken omdat zij bij nader inzien de voorkeur eraan geeft van het verzoek af te zien. Het betoog van de vrouw dat zij in eerste aanleg niet heeft begrepen wat zij heeft verzocht, acht het hof niet aannemelijk en maakt het vorenstaande derhalve niet anders. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat de vrouw haar standpunt ter zitting in hoger beroep, zonder tussenkomst van haar tolk, duidelijk heeft kunnen weergeven en dat de man ter zitting onweersproken heeft verklaard dat de referteverklaring die hij in eerste aanleg heeft ondertekend - en die correspondeert met het inleidend verzoek van de vrouw - door de vrouw is opgesteld. Ook overigens heeft de vrouw geen bijzondere omstandigheden aangevoerd die een uitzondering op bovengenoemde vaste jurisprudentie rechtvaardigen. Dit leidt ertoe dat de vrouw niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar hoger beroep. De overige stellingen van de vrouw behoeven daarmee geen nadere bespreking.
4.3. Dit leidt tot de volgende beslissing.
5. Beslissing
Het hof:
verklaart de vrouw niet-ontvankelijk in haar verzoek in hoger beroep.
Deze beschikking is gegeven door mrs. R.G. Kemmers, G.J. Driessen-Poortvliet en L.M. Coenraad in tegenwoordigheid van mr. B.J. Voerman als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 16 oktober 2012.