Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.[GEÏNTIMEERDE SUB 1].,
[GEÏNTIMEERDE SUB 2],
[GEÏNTIMEERDE SUB 3],
Gerechtshof Amsterdam
De werkneemster trad in 2004 in dienst bij een schoonmaakbedrijf met een overeengekomen arbeidsduur van minimaal 15 uur per week. Na een overplaatsing in 2007 werd haar arbeidsduur verminderd tot 10 uur per week, met een overeenkomstige loonverlaging. De werkgever stelde dat de werkneemster hiermee had ingestemd, terwijl zij dit betwistte en stelde dat zij slechts de locatiewijziging had geaccepteerd, niet de vermindering van uren.
De kantonrechter wees de loonvordering van de werkneemster af, stellende dat zij de vermindering had aanvaard door twee jaar op de nieuwe locatie te werken. Het hof oordeelde anders: de werkgever had onvoldoende bewijs geleverd van instemming met de arbeidsduurvermindering. De werkneemster had bovendien tijdig schriftelijk geprotesteerd en om betaling van het volledige loon gevraagd.
Het hof verwierp ook het verweer van rechtsverwerking en het beroep op het cao-artikel dat wijzigingen binnen redelijke grenzen toestaat, omdat dit niet ziet op vermindering van het overeengekomen minimum aantal uren. Het hof kende de loonvordering toe, matigde de wettelijke verhoging tot 20%, wees de vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten af en veroordeelde de werkgever in de proceskosten.
Uitkomst: De werkgever wordt veroordeeld tot betaling van achterstallig loon met wettelijke rente en een gematigde wettelijke verhoging, en in de proceskosten.