De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld voor betrokkenheid bij de moord op het slachtoffer binnen het Passage-proces, een samenhangend strafdossier tegen meerdere verdachten. Hij stelde in hoger beroep dat de rechtbank in eerste aanleg niet onpartijdig was omdat de voorzitter, mr. Lauwaars, eerder medeverdachten in hetzelfde feitencomplex had berecht. De verdediging vreesde een vooringenomenheid die het recht op een eerlijk proces schond.
Het hof onderzocht of deze vrees objectief gerechtvaardigd was. Uit de feiten bleek dat de eerdere vonnissen tegen medeverdachten geen oordeel bevatten over de schuld van de verdachte en dat de rechtbank in zijn zaak een volledige, onafhankelijke beoordeling heeft verricht, inclusief het horen van getuigen en medeverdachten. De voorzitter had bij aanvang van de behandeling van de zaak tegen de verdachte expliciet verklaard dat er een 'fresh consideration' zou plaatsvinden.
Het hof concludeerde dat de verdachte geen oneerlijk proces had gehad en dat de vrees voor onpartijdigheid niet objectief gerechtvaardigd was. Het verzoek tot nietigverklaring en terugwijzing van de zaak naar de rechtbank werd daarom afgewezen. De subsidiaire vorderingen van het Openbaar Ministerie werden niet meer behandeld.