Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het geding in hoger beroep
2.De feiten
de manis het volgende gebleken.
de vrouwis het volgende gebleken.
Gerechtshof Amsterdam
Partijen zijn in 1991 gehuwd en hebben drie kinderen. Het huwelijk is in mei 2012 ontbonden. De man was tot juli 2012 in dienst bij een bedrijf, waar hij op staande voet werd ontslagen. Hij heeft sindsdien geen inkomen uit arbeid of uitkering. De vrouw vordert een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van het jongste kind.
De man stelt dat hij geen draagkracht heeft omdat hij geen inkomen heeft en niet in zijn eigen levensonderhoud kan voorzien. De vrouw betoogt dat de draagkracht op basis van een fictief inkomen, gelijk aan het eerdere salaris, moet worden berekend. Het hof oordeelt dat het ontslag op staande voet een door eigen gedragingen veroorzaakte inkomensvermindering is, maar dat de man niet geacht kan worden binnen afzienbare tijd een vergelijkbaar inkomen te verwerven.
Het hof hoeft niet te beoordelen of de man zich van de gedragingen had moeten onthouden, omdat het toepassen van een fictief inkomen zou leiden tot een inkomen beneden 90% van de toepasselijke bijstandsnorm. Daarom wordt uitgegaan van het feitelijke inkomen van de man, waarmee hij geen draagkracht heeft voor kinderalimentatie. De beschikking wordt vernietigd en het verzoek van de vrouw afgewezen.
Uitkomst: Het hof wijst het verzoek tot kinderalimentatie af omdat de man geen draagkracht heeft door zijn ontslag op staande voet en gebrek aan inkomen.