ECLI:NL:GHAMS:2013:2268
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- A.V.T. de Bie
- R.G. Kemmers
- A.R. Sturhoofd
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen tenuitvoerlegging buitenlandse onderhoudsbeslissing
De man is in hoger beroep gekomen tegen een beschikking van de rechtbank Amsterdam die het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (LBIO) verlof gaf om een Poolse onderhoudsbeslissing uit 2002 in Nederland ten uitvoer te leggen. De Poolse rechtbank had de man verplicht maandelijks een bedrag aan kinderalimentatie te betalen ten behoeve van zijn dochter die in Polen woont.
De rechtbank verleende het verlof op grond van het Haags Verdrag inzake de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen over onderhoudsverplichtingen. Het LBIO had dit verzoek ingediend en de man betwistte dit in hoger beroep. Het hof stelde vast dat de man het hoger beroep ruim na de wettelijke termijn van één maand had ingesteld, waardoor hij niet-ontvankelijk was.
Het hof onderzocht tevens welke procedure van toepassing was, gezien het bestaan van meerdere verdragen (Haags Verdrag en Verdrag van Lugano). Het hof concludeerde dat het LBIO mocht kiezen voor de procedure op grond van afdeling 1 van Titel 9 Rv, wat de appeltermijn van één maand oplevert. Hierdoor werd het hoger beroep van de man alsnog niet-ontvankelijk verklaard.
De uitspraak benadrukt het beginsel van favor executionis, dat de executant de keuze geeft voor de meest geschikte regeling voor tenuitvoerlegging, maar bevestigt ook de strikte naleving van termijnen. Het hoger beroep werd daarom afgewezen wegens termijnoverschrijding.
Uitkomst: Het hof verklaart de man niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep wegens overschrijding van de appeltermijn.