Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het geding in hoger beroep
- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
- de man, bijgestaan door zijn advocaat.
2.De feiten
de manis het volgende gebleken.
Gerechtshof Amsterdam
Partijen zijn in 1987 gehuwd en gescheiden in 2012, met twee kinderen die bij de vrouw wonen. De man is DGA van een houdstermaatschappij met een werkmaatschappij die financiële problemen kent. De vrouw vordert een onderhoudsbijdrage voor de kinderen, maar de rechtbank wees dit af wegens onvoldoende draagkracht bij de man.
In hoger beroep stelt de vrouw dat de man wel draagkracht heeft, onder meer door een hoger salaris toe te kennen. Het hof concludeert echter dat de man geen hogere inkomsten heeft dan het huidige salaris, mede door de faillissementen van werkmaatschappijen en de noodzaak van een krediet bij Rabobank. De huurinkomsten worden grotendeels gecompenseerd door hoge lasten en aflossingen.
Het hof acht het aannemelijk dat het Rabobank-krediet noodzakelijk was om faillissement te voorkomen en dat de man geen aanvullende verdiencapaciteit heeft. Ook is onvoldoende gebleken dat de man woonlasten deelt. De vrouw heeft onvoldoende onderbouwd dat de man beschikt over onroerende zaken buiten de vennootschap.
Daarom is er geen draagkracht voor een onderhoudsbijdrage en wordt de beschikking van de rechtbank bekrachtigd. De behoefte van de kinderen aan onderhoudsbijdrage staat vast, maar de man kan hier niet aan bijdragen.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de beschikking en wijst het verzoek tot onderhoudsbijdrage af wegens onvoldoende draagkracht van de man.