Partijen zijn in 1991 gehuwd en hebben in eerste aanleg gezamenlijk verzocht tot echtscheiding. De rechtbank heeft op verzoek van partijen de echtscheiding uitgesproken en bepaald dat de man een partneralimentatie van € 4.200,- bruto per maand betaalt tot zijn pensionering. De man kwam hiertegen in hoger beroep met het verzoek de echtscheiding af te wijzen en de alimentatie te verlagen tot € 2.500,- bruto per maand.
Het hof oordeelt dat de man geen rechtens te respecteren belang heeft bij het hoger beroep tegen de echtscheiding, omdat hij in eerste aanleg zelf de echtscheiding heeft verzocht. Het hoger beroep is niet bedoeld om een reeds toegewezen verzoek ongedaan te maken. Daarnaast heeft de man zijn verweer over de verdiencapaciteit van de vrouw in eerste aanleg prijsgegeven door een overeenkomst te sluiten over de alimentatie.
Het hof bekrachtigt daarom de beschikking van de rechtbank en veroordeelt de man in de proceskosten van het hoger beroep. De man had erkend dat zijn hoger beroep geen kans van slagen had, maar handhaafde het toch. De zitting in hoger beroep is op verzoek van partijen achterwege gebleven.