Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2013:2583

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
6 augustus 2013
Publicatiedatum
22 augustus 2013
Zaaknummer
200.129.571/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Wraking
Rechters
  • S. Clement
  • G.J. Driessen-Poortvliet
  • C.G. Kleene-Eijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 39 RvArt. 337 lid 2 RvArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoeker kennelijk niet-ontvankelijk in hoger beroep wrakingsbeslissing civiele dagvaardingszaak

In deze civiele dagvaardingszaak heeft verzoeker hoger beroep ingesteld tegen een wrakingsbeslissing van de rechtbank Amsterdam. Het hof overweegt dat een wrakingsverzoek een incidentele vordering is binnen de hoofdzaak en dat de beslissing daarop een tussenvonnis betreft waarop geen zelfstandig hoger beroep openstaat volgens artikel 39 lid 5 Rv Pro.

Verzoeker betoogde dat het appelverbod doorbroken kan worden vanwege vermeende schending van artikel 6 EVRM Pro, maar het hof oordeelt dat tussentijds hoger beroep slechts mogelijk is indien de rechter dit toestaat. De rechtbank heeft dit niet gedaan, waardoor verzoeker kennelijk niet-ontvankelijk is.

Het hof wijst erop dat verzoeker bij het eventueel instellen van hoger beroep in de hoofdzaak alsnog de wrakingsbeslissing kan aanvechten en de relevante vragen kan voorleggen. In dit stadium is echter geen plaats voor inhoudelijke behandeling van het wrakingsverzoek.

Daarom verklaart het hof het hoger beroep van verzoeker kennelijk niet-ontvankelijk en komt het niet toe aan inhoudelijke beoordeling. Er is geen mondelinge behandeling bepaald.

Uitkomst: Verzoeker is kennelijk niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep tegen de wrakingsbeslissing.

Uitspraak

BESCHIKKING
________________________________________________________________ _ _

GERECHTSHOF AMSTERDAM

zaaknummer: 200.129.571/01

beschikking van de wrakingskamer van 6 augustus 2013

inzake het op 2 juli 2013 griffie van dit hof ingediende verzoekschrift van

[appellant],

wonende te [woonplaats],
appellant,
advocaat:
mr. M.R. Krulte Den Haag.

Het geding

Appellant wordt hierna [naam] genoemd.
Bij beroepschrift, per fax binnengekomen ter griffie van het gerechtshof op 2 juli 2013, is [naam] in hoger beroep gekomen van de beschikking van de wrakingskamer van de rechtbank Amsterdam van 20 juni 2013. [naam] heeft daarbij geconcludeerd dat het hof de bestreden beschikking zal vernietigen en, voor zover de wet toelaat uitvoerbaar bij voorraad, zal bepalen dat een meervoudige (wrakings)kamer van de rechtbank Amsterdam het verzoek van [naam] tot wraking van de voorzitter van de wrakingskamer van de rechtbank Amsterdam [voorzitter] zal behandelen, alsmede zal bepalen dat de uitspraak in de hoofdzaak in kort geding met zaaknummer C/13/542237/KG ZA 13-628 zal worden aangehouden totdat op voornoemd wrakingsverzoek zal zijn beslist.
Op 3 juli 2013 is het beroepschrift met producties binnengekomen ter griffie van het hof.
Vervolgens is uitspraak bepaald op heden.

Beoordeling

1.1. Blijkens artikel 39 lid 5 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) staat geen voorziening, en derhalve ook geen hoger beroep, open tegen een beslissing op een verzoek tot wraking.
1.2. [naam] heeft betoogd dat dit wettelijk appelverbod kan worden doorbroken, omdat de wrakingskamer van de rechtbank ten onrechte artikel 39 Rv Pro buiten toepassing heeft gelaten dan wel essentiële vormen heeft verzuimd, zodat van een eerlijke en onpartijdige behandeling van het wrakingsverzoek in de zin van artikel 6 EVRM Pro niet kan worden gesproken.
1.3. Het verzoek tot wraking is gedaan in een civiele dagvaardingszaak. Dit brengt mee dat het wrakingsverzoek moet worden aangemerkt als een incidentele vordering in die hoofdzaak en dat de beslissing op dat verzoek - waarin geen einde wordt gemaakt aan het geschil ter zake van enig deel van het gevorderde in de hoofdzaak - een tussenvonnis is in de zin van artikel 337 lid 2 Rv Pro (vlg. Hof Amsterdam 16 mei 2011, LJN:BQ8712, NJF 2011, 301). Dit laatste leidt ertoe dat het hoger beroep van de wrakingsbeslissing slechts tegelijk met dat van het eindvonnis kan worden ingesteld, tenzij de rechter anders heeft bepaald.
1.4. Dat het wettelijke verbod op een voorziening volgens [naam] in dit geval wordt doorbroken maakt niet dat tussentijds hoger beroep openstaat zonder dat de rechter die mogelijkheid heeft opengesteld.
1.5. Omdat de rechtbank tussentijds hoger beroep niet heeft opengesteld, is [naam] thans kennelijk niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep.
1.6. Mocht [naam] te zijner tijd in hoger beroep gaan in de hoofdzaak - bij een eventueel volgend tussenvonnis, indien de voorzieningenrechter daarbij tussentijds hoger beroep zal toelaten, of bij het eindvonnis - dan kan hij bij die gelegenheid desgewenst ook in hoger beroep gaan van de beslissing van de wrakingskamer van de rechtbank en aan de appelrechter de vragen voorleggen of hij belang heeft bij laatstbedoeld hoger beroep, of hetgeen hij heeft aangevoerd kan leiden tot doorbreking van het appelverbod van artikel 39 lid 5 Rv Pro en of dat aanleiding geeft tot een ander oordeel dan dat van de wrakingskamer van de rechtbank. Voor onderzoek van die vragen is in het onderhavige, ontijdige hoger beroep geen plaats.
1.7. Uit het voorgaande volgt dat [naam] kennelijk niet-ontvankelijk is in dit hoger beroep. Op grond van artikel 11 lid 1 van Pro het wrakingsprotocol van het gerechtshof Amsterdam, is derhalve geen mondelinge behandeling van het hoger beroep bepaald. Aan een inhoudelijke behandeling van het verzoek komt het hof niet toe.

Beslissing

Het hof:
verklaart [naam] kennelijk niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep.
Deze beschikking is gegeven door mrs. S. Clement, G.J. Driessen-Poortvliet en C.G. Kleene-Eijk en is in tegenwoordigheid van de griffier mr. J.G.E.Y. Lok in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 6 augustus 2013.