Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het geding in hoger beroep
2.De feiten
de manis het volgende gebleken.
de vrouwis het volgende gebleken.
Gerechtshof Amsterdam
Partijen zijn in 1991 gehuwd en zijn in 2009 uit elkaar gegaan. Hun huwelijk is in 2010 officieel ontbonden. Uit het huwelijk zijn een zoon en een dochter geboren. De man is directeur-grootaandeelhouder van een BV met wisselende bedrijfsresultaten en een fiscaal loon van €57.361 in 2012. De vrouw werkt parttime en lijdt aan een chronische aandoening die haar arbeidsvermogen beperkt.
De vrouw verzocht om vaststelling van een uitkering tot levensonderhoud van €1.031 bruto per maand, terwijl de man een verlaging van de kinderalimentatie voor de dochter naar nihil of €187,50 per maand vroeg. Het hof oordeelde dat de wijziging van omstandigheden voor de kinderalimentatie gerechtvaardigd is vanaf 31 augustus 2012, de datum waarop de dochter meerderjarig werd.
De partneralimentatie werd vastgesteld op €206 bruto per maand voor de periode van 1 september 2011 tot 31 augustus 2012 en €772 bruto per maand vanaf 31 augustus 2012, rekening houdend met de draagkracht van de man en de behoefte van de vrouw. De vrouw kon haar werkzaamheden niet uitbreiden vanwege haar chronische aandoening. De man werd geacht voldoende draagkracht te hebben op basis van zijn inkomen en lasten.
Het hof vernietigde de eerdere beschikking voor zover nodig en stelde de alimentatieverplichtingen dienovereenkomstig vast, met uitvoerbaarheid bij voorraad.
Uitkomst: Het hof wijzigt de alimentatieverplichtingen en stelt partneralimentatie vast op €206 tot 31 augustus 2012 en €772 vanaf die datum, en beëindigt de kinderalimentatie per 31 augustus 2012.