Uitspraak
1.Het geding
2.Beoordeling
“U vraagt mij of het klopt dat ik de getuige intimiderend aankeek. De getuige probeert mijn leven te verwoesten met zijn verklaring, daarom kijk ik.Hij moet naar mij kijken als hij zijn verklaring aflegt, want dan moet hij de waarheid spreken. Als hij in mijn ogen kijkt, dan ziet hij dat hij liegt.”
“Ik wil de jongste raadsheer vragen een toelichting te geven op het feit dat cliënt van haar niet meer naarde getuige mag kijken. Ik wil graag weten waarop haar oordeel dat cliënt intimiderendnaar de getuige keek, is gebaseerd.”
Het klopt dat de verdachte mij intimiderend aan zat te kijken. Ik dacht net: “kijk niet zo”.