De zaak betreft een hoger beroep tegen een beschikking tot ondertoezichtstelling van een minderjarige vanwege langdurig schoolverzuim en een fobie voor scholen. De Raad voor de Kinderbescherming had de ondertoezichtstelling bevolen wegens ernstige zorgen over de geestelijke en zedelijke belangen van de minderjarige.
Uit het psychologisch onderzoek bleek dat de minderjarige lijdt aan een specifieke fobie voor scholen, veroorzaakt door kindfactoren zoals beperkte intelligentie en persoonlijkheidsstructuur. Ondanks diverse hulpverleningspogingen was er geen blijvende verbetering in de schoolgang. De minderjarige volgt inmiddels een thuisstudie en ervaart minder angst, met positieve ontwikkelingen in zijn sociale contacten en stemming.
Het hof oordeelt dat hoewel de fobie blijft bestaan, de Raad onvoldoende heeft aangetoond dat de bedreiging van de ontwikkeling van de minderjarige nog ernstig is en niet in een vrijwillig kader kan worden afgewend. De ouders werken mee aan hulpverlening en er is geen gezinsvoogd betrokken, maar wel regelmatige contactmomenten met een jeugdreclasseringsmedewerker. Daarom wordt de ondertoezichtstelling voor de toekomst vernietigd en het verzoek van de Raad afgewezen.