Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het geding in hoger beroep
2.De feiten
de manis het volgende gebleken.
Gerechtshof Amsterdam
Partijen zijn in 1991 gehuwd en in 2003 gescheiden met een echtscheidingsconvenant waarin de man een partneralimentatie van €1.700 bruto per maand aan de vrouw zou betalen. De man verzocht de rechtbank om deze alimentatie te verlagen vanwege een sterk teruggelopen resultaat van zijn onderneming.
De vrouw stelde dat de overeengekomen alimentatie uitsluitend gebaseerd was op haar behoefte en dat een wijziging van de draagkracht van de man geen reden tot aanpassing kon zijn. Het hof paste de Haviltexmaatstaf toe om het convenant uit te leggen en oordeelde dat de vrouw deze afspraak niet had bewezen.
De man overlegde financiële stukken waaruit bleek dat zijn draagkracht vanaf 1 juli 2012 onvoldoende was om het oorspronkelijke bedrag te betalen en vanaf 1 januari 2013 geheel ontbrak. De vrouw betwistte dit niet gemotiveerd.
Het hof bekrachtigde de beschikking die de partneralimentatie vanaf 1 juli 2012 verlaagde naar €1.241 en vanaf 1 januari 2013 op nihil stelde. De grief van de vrouw werd verworpen en er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de verlaging en beëindiging van de partneralimentatie wegens onvoldoende draagkracht van de man.