Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.[…],
1.Het geding in hoger beroep
2.De feiten
de manis het volgende gebleken.
de vrouwis het volgende gebleken.
Gerechtshof Amsterdam
De zaak betreft een hoger beroep van de man tegen een beschikking van de rechtbank Amsterdam over de hoogte van de kinderalimentatie na beëindiging van zijn relatie met de vrouw. De man betwistte de vastgestelde behoefte van de kinderen en de draagkrachtberekening, met name het uitgangspunt van het netto gezinsinkomen en de verrekening van extra kosten.
Het hof oordeelde dat bij het bepalen van de behoefte van de kinderen het netto gezinsinkomen ten tijde van de samenleving als uitgangspunt geldt, mits dat inkomen een min of meer bestendig karakter had. De vrouw had onvoldoende onderbouwd dat zij gedurende de samenleving een bestendig inkomen had, waardoor het hof uitging van het inkomen van de man in 2010. Dit leidde tot een behoefte van €268 per kind per maand, geïndexeerd naar 2011.
De draagkracht van de man werd vastgesteld op basis van zijn inkomen in 2012, waarbij kosten zoals de huur van een parkeerplaats buiten beschouwing werden gelaten. De draagkracht van de vrouw werd eveneens op basis van haar inkomen in 2012 berekend, waarbij een na de relatie aangegane schuld werd uitgesloten. Het hof bepaalde dat de man 71% van de kosten voor de kinderen moet dragen, wat resulteerde in een alimentatie van €190 per kind per maand.
Verzoeken van de man om extra kosten voor tennislessen en fietsen te verrekenen met de alimentatie werden afgewezen, omdat hij onvoldoende had onderbouwd dat deze kosten in overleg met de vrouw waren gemaakt en dergelijke uitgaven in principe binnen de vrije ruimte van de betalende ouder vallen.
Het hof vernietigde de eerdere beschikking en stelde de alimentatie vast zoals hierboven, met ingang van 16 december 2011, en verklaarde de beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Uitkomst: De man moet vanaf 16 december 2011 een bijdrage van €190 per kind per maand betalen aan de vrouw als kinderalimentatie.