Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.[…],
1.Het geding in hoger beroep
2.De feiten
de manis het volgende gebleken.
Gerechtshof Amsterdam
Partijen zijn in hoger beroep gekomen tegen een beschikking die de alimentatieverplichtingen van de man jegens zijn ex-partner en hun jongmeerderjarige dochter op nihil stelde vanaf 1 februari 2012. De man, directeur-grootaandeelhouder (DGA) van een BV, had zijn salaris verlaagd vanwege een aanzienlijke omzet- en liquiditeitsdaling van zijn onderneming.
De vrouw en dochter betoogden dat de salarisverlaging niet mocht worden meegewogen omdat de man geen toestemming van de fiscus had gevraagd en dat het oorspronkelijke DGA-salaris als uitgangspunt moest gelden. Het hof oordeelde dat de fiscale regelgeving niet maatgevend is voor de onderhoudsverplichting en dat het hof moest beoordelen of de man redelijkerwijs een hoger salaris had kunnen behouden.
Op basis van jaarrekeningen, accountantsbrieven en de omstandigheden van de onderneming concludeerde het hof dat de man terecht zijn salaris had verlaagd en dat dit inkomensverlies niet verwijtbaar was. Ook de stellingen van de vrouw en dochter dat de man zijn verdiencapaciteit onvoldoende had benut, werden verworpen. Het hof bekrachtigde daarom de bestreden beschikking en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de beschikking die de alimentatieverplichtingen op nihil stelt vanwege de redelijke salarisverlaging van de man als DGA.