Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het geding in hoger beroep
de manis het volgende gebleken.
de vrouwis het volgende gebleken.
Gerechtshof Amsterdam
Partijen zijn in 2009 gehuwd en hebben een gezamenlijk kind, [kind a], geboren in 2009. Hun huwelijk is ontbonden per 23 juli 2013. De man is tevens onderhoudsplichtig voor een ander kind uit een eerdere relatie. De vrouw ontvangt een Wajong-uitkering en vormt een eenoudergezin met het kind.
De man kwam in hoger beroep tegen de beschikking van de rechtbank die bepaalde dat hij €195 per maand aan kinderalimentatie voor [kind a] moest betalen. Hij betwistte zowel zijn draagkracht als de behoefte van het kind. Het hof hanteerde de sinds 1 april 2013 geldende richtlijnen van de Werkgroep Alimentatienormen en baseerde de behoefte van het kind op het netto besteedbaar gezinsinkomen ten tijde van de samenleving, inclusief het kindgebonden budget.
De man had wisselende inkomensbronnen in 2012 en 2013, waaronder tijdelijke dienstverbanden en WW-uitkeringen. Het hof achtte het redelijk om zijn draagkracht vast te stellen op basis van het netto inkomen in 2012, omdat dit een betrouwbaar beeld geeft van zijn verdiencapaciteit. De man heeft een draagkracht van €50 voor twee kinderen, wat leidt tot een bijdrage van €25 voor [kind a].
De vrouw stelde dat de man mogelijk zwarte inkomsten had, maar dit werd niet onderbouwd. Ook werd rekening gehouden met studiefinanciering die de vrouw destijds ontving, omdat dit mede de welstand van het gezin bepaalde. De man verzocht rekening te houden met aflossingen op huwelijkse schulden, maar dit werd door het hof niet als onaanvaardbaar erkend.
Het hof vernietigde de eerdere beschikking voor zover het de bijdrage aan [kind a] betreft en bepaalde de alimentatie op €25 per maand met ingang van 23 juli 2013, bij vooruitbetaling te voldoen.
Uitkomst: De man moet vanaf 23 juli 2013 een kinderalimentatie van €25 per maand betalen voor het gezamenlijke kind.