Uitspraak
_______________________________________________________________________ _ _
1. Het geding in hoger beroep
De stukken van het geding
Gerechtshof Amsterdam
Klaagster diende een klacht in tegen de notaris over diens handelen bij de afwikkeling van de nalatenschap van haar moeder. Zij stelde dat de notaris de afwikkeling niet goed en niet voortvarend had aangepakt en zich gelden van de boedel had toegeëigend. De notaris betwistte deze beschuldigingen en stelde dat de vertraging mede veroorzaakt werd door onenigheid tussen erfgenamen.
De kamer van toezicht verklaarde de klacht voor feiten ouder dan drie jaar niet-ontvankelijk en de overige klachten ongegrond. Klaagster ging hiertegen in hoger beroep bij het Gerechtshof Amsterdam. Het hof bevestigde dat de klachten over handelingen uit 2004-2007 te laat waren ingediend en dat de overige klachten onvoldoende aannemelijk waren gemaakt.
Het hof oordeelde dat de notaris niet partijdig had gehandeld en dat de vertraging in de afwikkeling niet aan hem kon worden toegerekend, maar aan de voortdurende onenigheid tussen klaagster en haar broer. Ook was onvoldoende bewijs voor de toeeigening van boedelgelden door de notaris. De bestreden beslissing van de kamer van toezicht werd bevestigd.
Uitkomst: De klacht tegen de notaris is niet-ontvankelijk voor oudere feiten en voor het overige ongegrond verklaard.